Boom criminolgie

  • In Linkebeek bij Brussel overleed in augustus 2003 Chantal Beaudelet door een schot dat was afgevuurd met het dienstwapen van haar vriend Jack Darne. Chantal en Jack lagen op dat moment samen in bed. Drie jaar later werd Jack veroordeeld voor haar moord. Jack zegt dat Chantal zelfmoord pleegde en dat hij ten onrechte al veertien jaar vastzit voor de moord op Chantal. In het onderzoek door de politie kwamen er vreemde verhalen naar boven: over een depressie bij Chantal en over een buitenechtelijke relatie van Jack. Het bewijs tegen Jack was voor de jury voldoende voor een veroordeling. Maar blijft het bewijs overeind in een precieze analyse in het licht van de verschillende scenario's? Vermoordde Jack zijn Chantal? Of pleegde Chantal zelfmoord en had de jury Jack moeten vrijspreken?

  • Al vaak zocht men in de geschiedenis naar een moreel kompas, maar nooit heeft men er ook echt één gevonden. Daar kan verandering in komen.

    De mens staat niet meer alleen op het speelveld, maar weet zich omringd door nieuwe sterspelers: artificiële intelligentie en robotica. Hierin verschijnen de contouren van een nieuw type samenleving. De dashboardsamenleving is een hypothetische samenlevingsvorm waar iedere burger een dashboard ter beschikking heeft om prudentieel en vooruitziend te handelen. Na emergentie kan het geweten een digitale stem krijgen in de vorm van een transhumaan bewustzijn en een verbindende `diagonale moraliteit' installeren tussen wat burgers horizontaal prefereren en wat op een hoger niveau verticaal wenselijk is. Het biedt een oplossing voor een aantal normatieve problemen, maar is geen panacee.

    Vooruitziendheid heeft een keerzijde. Daarmee krijgt het mythologische verhaal van Prometheus en Pandora een hypermoderne betekenis. Wanneer de cloud met data wordt ontsloten en sociale ordening tot op zekere hoogte voorspelbaar wordt, stort een mogelijk onheil zich over de wereld in de vorm van zeven ongekende morele dilemma's.

  • De ontwikkeling van de private bewakingssector in België (1907-1990) Nieuw

    Hoewel de privatisering van veiligheid vaak als een recent fenomeen wordt aanschouwd, ligt de oorsprong van de moderne private bewakingssector in België reeds in het begin van de twintigste eeuw. Binnen het bestaand wetenschappelijk onderzoek bleef de historische ontwikkeling van de aard, het beleid en de regulering van dit fenomeen echter tot op heden onderbelicht.

    Met dit boek wordt op basis van nooit eerder onderzocht archiefmateriaal de rijke geschiedenis van de Belgische private bewakingssector voor een eerste maal in kaart gebracht. Naast een gedetailleerde bespreking van de totstandkoming van de private bewakingssector zelf, heeft de auteur aandacht voor de wijze waarop de Belgische overheid die ontwikkeling waarnam en waar nodig bijstuurde. Dit boek toont bovendien aan hoe de geschiedenis van deze sector de beeldvorming en het huidige beleid inzake private veiligheid nog steeds beïnvloeden. Daarmee legt dit werk ook de maatschappelijke relevantie bloot van een historisch perspectief op recentere ontwikkelingen in de veiligheidszorg.

  • Dit onderzoek gaat over schriftelijke bedreigingen en e-mails die plaatsvinden tegen personen in het publieke domein, ofwel het Rijksdomein zoals dit wordt omschreven in het Stelsel van Bewaken en Beveiligen (Ministerie van Veiligheid en Justitie, 2013). Bij het Rijksdomein gaat het om personen van wie, en objecten of diensten waarvan, de veiligheid en hun ongestoord functioneren van nationaal belang is, zoals: de leden van het Koninklijk Huis, bewindspersonen, leden van de Eerste en Tweede Kamer, lijsttrekkers van politieke partijen, of leden van het College van procureurs-generaal. Bedreigingen kunnen gevoelens van angst of onrust bij bedreigden en hun omgeving teweegbrengen. De uitingen van bedreigingen in de richting van publieke personen kunnen ook van invloed zijn op het publieke debat en kunnen zelfs een risico vormen voor de democratische rechtsorde indien vanwege de angst voor (herhaalde) bedreigingen geen open discussie kanworden gevoerd.
    Het doel van dit onderzoek is tweeledig: het wil tot een betere duiding komen van dreigbrieven, en met behulp daarvan een meetinstrument ontwikkelen waarmee eventueel toekomstig crimineel gedrag van de dreigbriefschrijvers kan worden voorspeld. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd bij het nemen van adequate maatregelen om publieke personen zo goed mogelijk te beschermen.

  • Focus op eer

    Janine Janssen

    Helaas komt geweld uit naam van eer regelmatig voor in onze samenleving. Jaarlijks houdt de nationale politie in circa drieduizend zaken rekening met een geschonden eergevoel als motief voor (dreigend) geweld. Het is niet altijd eenvoudig om een eerzaak te herkennen, aangezien het schenden en herstellen van eergevoel op verschillende wijzen gestalte kan krijgen, uiteenlopend van dreigende woorden tot en met een moord. Bovendien kan het mensen in verschillende fasen van de levensloop raken. Daarnaast komen mannen en vrouwen niet alleen als slachtoffer, maar ook als verdachte in beeld.

    Dit boek is bedoeld als inleiding in de complexe wereld van eer en geweld voor politieambtenaren en andere professionals die in hun werk met deze zaken te maken krijgen. Het geeft professionals inzicht in de volgende vragen: Waarom is eergevoel zo belangrijk? Hoe kan herkend worden dat een conflict gewelddadig dreigt te escaleren? Wat kan een professional doen? Janine Janssen is als hoofd onderzoek verbonden aan het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld (LEC EGG) van de nationale politie. Tevens is zij lector Veiligheid in afhankelijkheidsrelaties bij het Expertisecentrum Veiligheid (EV) aan Avans Hogeschool.

    'Er zijn weinig zaken waarbij zo veel complexe emoties komen kijken als bij eergerelateerd geweld. Emoties die cultureel bepaald zijn en tegelijkertijd diep ingrijpen in persoonlijke levens. Een vorm van geweld die ook in de samenleving heftige emoties oproept. Dit boek geeft politiemensen en andere professionals een leidraad om dit soort zaken effectief en rechtvaardig op te pakken'.
    Ahmed Aboutaleb, burgemeester van Rotterdam

  • Het werk van rechercheurs spreekt tot de verbeelding. Avond na avond zijn de verrichtingen van detectives op de televisie te zien en menig literaire thriller verhaalt over hun inspanningen. Hoe rechercheurs in werkelijkheid de uitvoering van hun opsporingstaken ervaren en welke invloed dit heeft op hun welzijn is minder bekend.

    Het doel van deze dissertatie is om meer inzicht te geven in factoren die van invloed zijn op de mentale weerbaarheid van kinderporno- en forensisch rechercheurs. Op basis van een systematische literatuur review, observatiestudies, interviews en vergelijkend onderzoek, wordt in dit boek nader ingegaan op de copingstrategieën die deze rechercheurs helpen in de omgang met belastende werksituaties, de rol die collega's en leidinggevenden daarbij spelen evenals de taak- en organisationele karakteristieken die op dit proces van invloed zijn.

    Om het risico op gezondheidsklachten te verkleinen en duurzaam functioneren te bevorderen, doen de politie-organisatie, leidinggevenden en rechercheurs er verstandig aan om blijvend te investeren in de geïdentificeerde persoonlijke, team- en organisatie-gerelateerde hulpbronnen die alledaagse magie bij rechercheurs mogelijk maken.


  • In dit boek wordt verslag gedaan van de bevindingen van een onderzoek naar ernstige integriteits schendingen binnen vier rechtshandhavingsorganisaties - de politie, Douane, Koninklijke Marechaussee (KMar) en Fiscale Inlichtingen- en Op sporingsdienst (FIOD) - die in verband kunnen worden gebracht met georganiseerde criminaliteit. Het onderzoek was gericht op het in kaart brengen en duiden van de aard, omvang en ernst van integriteitsschendingen binnen de genoemde rechtshandhavings- organisaties in relatie tot georganiseerde criminaliteit. Daarnaast is aandacht besteed aan de wijze waarop vanuit de rechtshandhaving wordt geprobeerd om daartegen dammen op te werpen en de weerbaarheid van de medewerkers te versterken.


  • De brandweer vond op een zondagochtend in 2002 bij het blussen van een brand de lichamen van de Oost-Europese Ona en haar tweejarige dochtertje Adina. Bij de sectie bleek dat Ona en Adina niet door de brand om het leven waren gekomen, maar dat ze daarvoor al waren gedood. Tien dagen later meldde Ona's buurman Hans zich bij de politie. Hij vertelde dat hij een paar uur voor de brand in Ona's huis was geweest om daar spullen te stelen. Hij had haar toen niet gezien. Hans maakte zich verdacht en werd veroordeeld voor het plegen van doodslag op Ona en Adina. Het belangrijkste bewijs was dat zijn DNA onder Ona's nagels was gevonden. Hans ontkende en zei dat zijn DNA al veel eerder onder Ona's nagels terecht was gekomen. In het Project Gerede Twijfel werd de veroordeling van Hans onderzocht. Wat blijft er over van het bewijs na een precieze analyse en een experiment met DNA?

  • Mensenhandel wordt beschouwd als één van de ergste vormen van criminaliteit en gaat samen met grove schendingen van mensenrechten. Slachtoffers kunnen een belangrijke rol spelen in de opsporing van dit misdrijf. Zij kunnen de politie namelijk informatie verstrekken over het misdrijf en de dader(s). Dat zullen zij echter alleen doen indien zij vertrouwen in de politie hebben en zich voldoende veilig voelen. Om hun gevoel van vertrouwen in de politie en hun gevoel van veiligheid te bevorderen, heeft de politie in 2014 verhoorstudio's ingericht binnen een aantal opvanglocaties voor slachtoffers van mensenhandel. Hierdoor kunnen slachtoffers in een vertrouwde en veilige omgeving gehoord worden door de politie. In dit boek wordt onderzocht wat de gevolgen van deze beleidsmaatregel zijn geweest. Het gaat hierbij om een eerste verkenning van de resultaten.

    Dit boek is in de eerste plaats bedoeld voor beleidsmedewerkers van de politie, het Openbaar Ministerie en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarnaast is het boek waardevol voor politieambtenaren die regelmatig in aanraking komen met slachtoffers van mensenhandel, voor studenten, onderzoekers en anderen die geïnteresseerd zijn in het thema mensenhandel.

  • De afgelopen jaren is er sprake van een toenemende belangstelling voor een adequate aanpak voor mensen met een licht verstandelijke beperking in de strafrechtsketen. Beperkt in de keten wil een bijdrage leveren aan het tot stand komen van deze aanpak.

    Mensen met een licht verstandelijke beperking zijn oververtegenwoordigd in de strafrechtsketen. Een adequate aanpak is voor hen noodzakelijk om onnodige schade te voorkomen. Beperkt in de keten beschrijft achtergronden, oorzaken en gevolgen van de interactie tussen intelligentie en criminaliteit en beschrijft risico's en kansen in de omgang met deze doelgroep in de strafrechtsketen.

    Nieuw in de 2e druk
    Ook deze tweede druk is geschreven door auteurs die afkomstig zijn uit alle delen van de strafrechtsketen. Bestaande hoofdstukken zijn geactualiseerd. Nieuw in deze tweede druk zijn de hoofdstukken over de advocatuur, taakstraffen en slachtoffers. Het strafprocesrecht wordt beschreven in een hoofdstuk over jeugd en een hoofdstuk over volwassenen.

    Een onmisbaar boek voor (aankomende) professionals, beleidsmakers en managers in alle onderdelen van de strafrechtsketen.


  • In deze vijfde editie in de reeks Lessen uit crises en mini-crises van het lectoraat Crisisbeheersing worden vijftien bijzondere gebeurtenissen uit het jaar 2016 beschreven en beschouwd. De aandacht gaat uit naar verschillende gezondheidscasus, waaronder de ophef over het rubbergranulaat op kunstgrasvelden en de uitstoot van DuPont/Chemours. Maar ook de onrust vanwege de Zaanse straatvlogger, de hagelstorm in Zuidoost-Brabant, de branden in Krabbendijke en Someren, de treinongevallen in Dalfsen en Winsum en het stuwincident bij Grave komen aan bod. Daarnaast is er aandacht voor de aanslagen in Brussel en de terreurdreiging rond Schiphol.
    In elk hoofdstuk wordt getracht een dilemma of thema bloot te leggen dat ook in toekomstige situaties een rol zou kunnen spelen. Bestuurders en professionals werkzaam op het terrein van crisisbeheersing en veiligheidsmanagement kunnen hier hun voordeel mee doen. In het inleidende hoofdstuk worden de rode draden uit de casus belicht.
    Centrale thema's zijn: omgaan met onzekerheid en met maatschappelijke en politieke onrust, de rol van veiligheidsregio's, ketenpartners en burgers, de juridische en financiële verwikkelingen die na (mini-)crises volgen en het belang van continuïteit.

  • Ondermijning is inmiddels een gevestigd begrip in de misdaadbestrijding. Ondermijnende criminaliteit tast de fundamenten van de open samenleving aan. Het is niet nieuw, al doet de vele publiciteit voor dit fenomeen dat soms wel denken. Ondermijning en de effecten daarvan zijn ook niet altijd goed zichtbaar. Herkenning vergt een zekere mate van bewustwording. De aanpak van ondermijning is niet alleen aan politie en justitie voorbehouden. Veel meer is een integrale aanpak gewenst waarbij alle mogelijke ketenpartners in stelling kunnen worden gebracht en waarbij er sprake is van een combinatie van strafrechtelijke, bestuurlijke, financiële en/of sociale maatregelen. Er is dan ook beslist geen sprake van een eenduidige aanpak. De aanpak van ondermijning vereist vooral creativiteit en samenwerking.

    Dit boek geeft een inkijk in de wereld van de ondermijning en de aanpak hiervan. Het begint met een historische beschrijving hoe het fenomeen ondermijning zich de voorbije decennia heeft ontwikkeld en wat de verschillende effecten zijn op de samenleving. Vervolgens staat het uitgebreid stil bij de actuele aanpak van ondermijning. Welke obstakels komt men daar tegen en hoe kunnen deze worden weggeruimd? Aan de hand van tien uiteenlopende casussen schetst het een beeld van die aanpak. Het boek sluit af met een reeks van next practices, die handvatten bieden voor een integrale aanpak van ondermijnende criminaliteit.

  • Het was al donker toen vader en zoon hun hond uitlieten in een woonwijk in Breukelen. Zij zagen een vreemde man lopen, achtervolgden hem en belden 112. Even later vonden zij in de bosjes een vrouw die ernstig was mishandeld. Zij was er zo slecht aan toe, dat ze twee dagen later overleed. De vreemde man was de verdachte, de enige verdachte die serieus werd onderzocht. Hij kreeg een gevangenisstraf van vijftien jaar opgelegd. Al het bewijs in zijn strafzaak kent echter problemen, blijkt uit het onderzoek van het Project Gerede Twijfel. Waar sporen zouden moeten zijn, ontbreken ze. Waar het NFI helder zou moeten rapporteren, komen er misleidende rapporten. Waar onderzoek zou moeten worden gedaan naar andere scenario's, blijft dat achterwege. De analyses en experimenten van het Project Gerede Twijfel leiden tot een nieuwe kijk op de zaak van de dansende dader.

  • Het politiebestel in Nederland is geen rustig bezit, dat is de afgelopen jaren met de invoering van de Nationale Politie opnieuw gebleken. De turbulentie rond het politiebestel en de wens tot vernieuwing daarvan zijn echter niet van recente datum. Terugkijkend passen de invoering van de Nationale Politie en de problemen die bij de invoering daarvan ontstonden, in een ontwikkeling die al veel langer gaande is. In dit boek wordt ingegaan op de ontwikkelingen in het politiebestel vanaf eind jaren tachtig tot nu en op de vraag hoe dat bestel in verschillende periodes in de praktijk heeft gefunctioneerd.

    De auteurs bieden een correctie op de vaak bestaande neiging ontwikkelingen rond het politiebestel vooral te bekijken vanuit de actualiteit. Zij laten zien dat het politiebestel veel meer is dan een organisatiescherma. Het vormt een door uiteenlopende spanningen gekenmerkt complex en veranderlijk veld, waarin vele partijen met diverse belangen en visies elk proberen de politie in de door hen gewenste richting te bewegen.

  • Zo werkt het

    Joke Harte

    Er wordt op tal van manieren geïnvesteerd in de veiligheid en de leefbaarheid van onze samenleving. Politiek en overheid komen met tal van wetten, maatregelen, programma's en behandelingen. Dit kost veel gemeenschapsgeld en de uitvoering kan ingrijpend zijn en grote gevolgen hebben voor betrokkenen. Maar de vraag dringt zich op of al deze interventies het beoogde effect hebben. Ondanks veel initiatieven en investeringen in empirisch onderzoek moeten we voor verreweg de meeste interventies het antwoord schuldig blijven. De auteur benoemt in haar oratie de voetangels, klemmen, struikelblokken en valkuilen die in de weg staan van meer kennis over de werkzaamheid van interventies. Zij beschrijft hoe onderzoek kan bijdragen aan meer wetenschappelijke inzichten en kennis en hoe toepassing resulteert in betere interventies.

    Joke Harte is hoogleraar Evaluatie Juridische Gedragsinterventies aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In het verleden was zij als onderzoeker werkzaam in verschillende forensisch psychiatrische klinieken. Zij is lid van de afdeling Advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) en opleidingsdirecteur van de internationale en multidisciplinaire bacheloropleiding Law in Society.

  • Hans werd om het leven gebracht doordat iemand hem met een moker minstens zes keer op zijn hoofd had geslagen. In de zoektocht naar een verdachte kwam de politie uit bij de beelden van een camera aan de overkant van de straat. Tussen het tijdstip waarop Hans voor het laatst werd gezien en het tijdstip waarop hij werd gevonden was maar één man bij de voordeur van Hans te zien. Vanaf dat moment bewoog het opsporingsonderzoek in de richting van die man. Het bewijs stapelde zich op tegen de verdachte: getuigen vertelden de politie over de foute reputatie van de man en er werd DNA van hem op de moker gevonden. Hij werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden. Maar wat op het eerste gezicht een sterke zaak lijkt, staat na een grondige analyse van het bewijs op losse schroeven. Laten camerabeelden wel altijd zien wat er daadwerkelijk heeft plaatsgevonden? Dat is slechts een van de vragen die in het Project Gerede Twijfel werden onderzocht in de zaak van de Mokumse mokermoord.

  • Is regelovertreding door bedrijven op het ene domein van regelgeving een voorspeller voor regelovertreding op andere domeinen? Een antwoord op deze vraag naar de domeingebondenheid van regelovertreding kan bijdragen aan een betere werking van toezicht en handhaving.

    Dit empirische onderzoek verkent deze kwestie onder een specifieke groep ondernemers, namelijk varkenshouders. Middels gesprekken met varkenshouders, toezichthouders en relevante partijen uit de secundaire varkenssector geeft deze studie antwoord op de onderzoeksvraag: 'Wat zorgt ervoor dat bedrijven regels binnen verschillende wetgevingsdomeinen naleven of overtreden?' De studie biedt daarmee een overzicht van de beweegredenen en motieven die varkenshouders hebben om al dan niet regels te overtreden.

    De gevonden motieven variëren van het hebben van gelegenheid tot regelovertreding en -naleving, tot de druk (vanuit de markt) waaraan varkenshouders blootstaan, meningen over regels en het gebruik van neutralisatietechnieken. Verder laat deze studie zien dat regelovertreding overwegend domeingebonden is en dat de bedrijven in dit onderzoek allerhande tussenposities innemen tussen het zijn van grootschalige overtreder en complete regelnalever. Bij de domeingebondenheid van regelovertreding spelen in het bijzonder persoonlijke normen en het gebruik van neutralisatietechnieken een rol.

    Dit boek is bestemd voor toezichthouders, handhavers en onderzoekers die zich bezighouden met organisatiecriminaliteit en witteboordencriminaliteit. Het biedt handvatten om regelovertreding tegen te gaan.

  • Hoewel het aantal woninginbraken inmiddels al enige jaren afneemt, blijft de maatschappelijke impact groot. Slachtoffers
    worden geraakt in de omgeving die zij als het veiligst beschouwen: hun eigen woning. Vanwege de impact op de slachtoffers worden woninginbraken aangemerkt als high impact crimes. Het is dus niet verwonderlijk dat de overheid er veel aan gelegen is om deze vorm van criminaliteit terug te dringen. Een wapen in deze strijd is B3W.

    B3W is een veiligheidsstrategie die het beste van probleemgericht werken, informatiegestuurde politie en burgerparticipatie in zich verenigt. Dit onderzoeksrapport beschrijft hoe B3W in de politie-eenheden Noord-Holland, Zeeland- West-Brabant en Den Haag wordt toegepast om woninginbraken aan te pakken en welke factoren hierop van invloed zijn. Uit het onderzoek blijkt dat een goede probleem analyse, sturen op basis van relevante informatie, integraal werken en de aanwezigheid van regievoer ders bepalende factoren zijn voor de effectiviteit van deze veiligheids strategie.

  • Op 1 september 2017 neemt Henk van de Bunt, na een wetenschappelijke carrière van ruim veertig jaar, afscheid als hoogleraar criminologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Gedurende een groot deel van zijn carrière heeft hij zich beziggehouden met organisatiecriminaliteit en andere maatschappelijk ondermijnende activiteiten. In toenemende mate heeft hij zich hierbij de vraag gesteld hoe met name mensen met respectabele maatschappelijke posities in staat zijn hun illegale activiteiten aan het zicht te onttrekken. Deze vraag dient zich volgens Van de Bunt aan wanneer we kijken naar misstanden binnen instituties als de Katholieke kerk (seksueel misbruik), de sport (doping), gemeentelijke overheden (collusie), advocatuur en notariaat (facilitering van fraude) en de vastgoedsector (corruptie en fraude). Als analytisch kader ontwikkelt hij hiertoe het concept 'muren van stilzwijgen', waarbij de aandacht vooral uitgaat naar de rol van omstanders van illegale praktijken, die eigenlijk wel weten wat er aan de hand is, maar zich om diverse redenen in stilzwijgen hullen. Volgens Van de Bunt hebben collega's, juridisch of fiscaal adviseurs, omstanders en toezichthouders er ofwel geen belang bij om een bepaalde misstand te openbaren of zij laten zich verblinden door de schijnbare respectabiliteit en het vertrouwenwekkende karakter van de dader.

    Voor dit liber amicorum hebben wij zijn collega's en oud-collega's gevraagd om, aan de hand van de thema's waar Henk van de Bunt zich in zijn academische leven mee bezig heeft gehouden, hun ideeën en ervaringen op papier te zetten. Na een inleiding op Henk van de Bunt als academicus en mens, volgen 45 thematisch gerangschikte bijdragen van zijn wetenschappelijke vrienden over respectievelijk Integriteit en vertrouwen, Onderzoek en beleid, Selectiviteit in de rechtspleging, Openbaar ministerie, Strafrecht en strafrechtelijke sancties, Toezicht en handhaving, en Organisatiecriminaliteit, georganiseerde criminaliteit en ondermijning. Door middel van deze bijdragen willen wij de lezer een blik over de muren van stilzwijgen gunnen.

  • In het voorjaar van 1994 was de wereld getuige van de genocide in Rwanda. Op 11 november 1998 vroeg de destijds 30-jarige Rwandees Joseph Mpambara asiel aan in Nederland. Hij was op de vlucht voor het aanhoudende geweld in de nasleep van de oorlog en de genocide in zijn thuisland. Volgens de Nederlandse immigratiedienst waren er 'aanwijzingen' dat Joseph bij de genocide betrokken was geweest. Na een lang en duur onderzoek werd Joseph in Nederland veroordeeld voor oorlogsmisdrijven. In 2011 kreeg Joseph van het gerechtshof Den Haag een levenslange gevangenisstraf opgelegd, hetgeen in Nederland daadwerkelijk levenslang betekent. De veroordeling was bijna volledig gebaseerd op getuigenverklaringen. Door de hoeveelheid verklaringen lijkt er op het eerste gezicht sterk bewijs te zijn tegen Joseph. Hij heeft zijn betrokkenheid bij de genocide echter altijd ontkend.

    In het Project Gerede Twijfel werden de getuigen zelf en hun verklaringen grondig geanalyseerd. De uitkomst blijkt anders dan men zou verwachten. Het gehele verhaal is een wankel kaartenhuis.

  • In dit boek presenteert de auteur de resultaten van haar onderzoek naar publieke ernst percepties van criminaliteit en de mogelijke implicaties voor het beleid. Het onderzoek naar publieke ernstpercepties van criminaliteit is gegroeid vanuit het idee van het belang van de stem van het publiek in het beleid en kent een lange traditie. Meer bepaald kan een inzicht in publieke percepties over de ernst van criminaliteit nuttig zijn in verschillende beleidsfasen in de criminologische en strafrechtelijke sfeer. Sinds het pionierswerk van Sellin en Wolfgang (1964), is er in de jaren zeventig en tachtig een omvangrijke hoeveelheid literatuur verschenen over ernstpercepties van criminaliteit. Ondanks deze vaststelling werd de laatste dertig jaar echter nog maar weinig gepubliceerd over dit thema, en in Europa werd dit onderwerp slechts zelden onderzocht. Bovendien bevat het onderzoekdomein een aantal conceptuele en methodologische tekortkomingen.

    Opvallend binnen het publieke opinieonderzoek in de criminologie in het algemeen, en in het onderzoek naar percepties over criminaliteit in het bijzonder, is bovendien de vaststelling dat onderzoekers slechts zelden het mediagebruik van respondenten bestuderen, ondanks dat is gebleken dat mensen hun informatie over criminaliteit voornamelijk halen uit de massamedia. Vanuit deze achtergrond streeft de auteur in dit boek twee doelstellingen na:

    1) de onderzoekstraditie naar de gepercipieerde ernst van misdrijven nieuw leven inblazen en introduceren in België,
    2) met de cultivatietheorie als achterliggend kader nagaan in welke mate ernstpercepties samenhangen met televisieblootstelling.

    Hiertoe zette de auteur een representatief survey-onderzoek bij 1.278 Vlamingen op en voerde ze een kwantitatieve inhoudsanalyse uit van 154 uren algemene televisie-inhoud en 15.756 nieuwsitems. De bevindingen van dit onderzoek tonen de wetenschappelijke waarde en beleidsrelevantie aan van het openen van de 'black box' van ernstpercepties en geven mede invulling aan het debat over de rol die de publieke opinie kan en mag hebben in het criminaliteitsbeleid. De auteur stelt op basis van de resultaten bovendien het idee van klassieke cultivatie aan de kaak en levert nuttige inzichten aan over de functie en de inhoud van het televisienieuws in de samenleving.


  • Concurrenten, leveranciers of ketenpartners zijn vaak op de hoogte van misstanden in organisaties waarmee zij een professionele relatie hebben. Als zij dit melden bij publieke toezichthouders kan dit de handhaving ten goede komen. Dit onderzoek richt zich op beweegredenen en ervaringen van deze externe melders.

    Er werd reeds veel onderzoek gedaan naar klokkenluiders of insiders in organisaties die van binnenuit op de hoogte zijn van, of zelfs deelnemen aan overtredingen. Naar de vraag wat externe melders beweegt om overtredingen te melden is tot nu toe echter nauwelijks onderzoek gedaan.

    Dit empirische onderzoek bij drie inspectiediensten gaat voor het eerst de beweegredenen en ervaringen na van concurrenten, leveranciers of ketenpartners die misstanden melden. Veel inspectiediensten stimuleren dit soort meldingen, omdat de informatie waar zij over beschikken vaak moeilijk toegankelijk is. Op basis van de bevindingen worden aanbevelingen gedaan om meldingen te stimuleren.

  • De Politieacademie is hét nationale wervings-, selectie-, opleidings- en kennisinstituut voor de Nederlandse politie. De koers van de Politieacademie is gericht op voortdurende kwaliteitsverbetering van het politievak. Kennis en onderzoek leveren daar een belangrijke bijdrage aan; de activiteiten zijn gericht op verbeteringen in de politiepraktijk en aanpassingen in het onderwijs. De onderzoeksfunctie heeft daarbij oog voor de actualiteit en ontwikkelingen, maar is tevens op gepaste afstand van de dagelijkse hectiek.

    De Politieacademie verricht meerjarig onderzoek naar de lokale positie van de genationaliseerde politie. Dit onderzoek beschrijft het functioneren van de basisteams door de ogen van politiemensen, burgemeesters, gemeenteraadsleden en burgers. Het schetst een levensecht beeld van de prestaties, dilemma's en tekortkomingen van de basisteams.

  • Professor Gerben Bruinsma ging in mei 2017, na een wetenschappelijke carrière van 43 jaar, met emeritaat. Gerben Bruinsma promoveerde in 1985 aan de Radboud Universiteit Nijmegen op criminaliteit als sociaal leerproces.

    Hij was onder meer medeoprichter en directeur van het Internationaal Politie Instituut Twente (IPIT), lid van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden (van Traa) en van 1995 tot 1999 bijzonder hoogleraar Bestuurskundige Criminologie aan de Universiteit Twente. In de periode 1999 - 2014 was hij wetenschappelijk directeur van het NSCR. Hij was toen tevens hoogleraar Criminologie aan de Universiteit Leiden (1999 - 2009) en nadien hoogleraar Omgevingscriminologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam (vanaf 2009).

    In 2009 werd hij onderscheiden met de eerste Freda Adler Distinguished International Scholar Award van de American Society of Criminology. Van 2014-2015 was hij President van de European Society of Criminology.

    In zijn wetenschappelijke werk richtte hij zich op de empirische toetsing van criminologische theorieën, de geografische en theoretische criminologie, en de geschiedenis van die vakgebieden. Hij publiceerde op het gebied van misdaad, rechtshandhaving en criminologische theorieën.

    Gerben heeft in verschillende hoedanigheden door de jaren heen een belangrijke bijdrage geleverd aan de Nederlandse en internationale criminologie. In dit Liber Amicorum kijkt een groot aantal collega's, uit binnen- en buitenland, terug op zijn carrière met herinneringen, beschouwingen over het vakgebied en nieuwe wetenschappelijke bijdragen in de geest van zijn criminologisch werk.

empty