Universitaire Pers Leuven

  • Centraal in dit nummer van 'Nieuwe Tijdingen' staan de evolutie en vormgeving van festiviteiten in de vroegmoderne Nederlanden. Daarbij belichten de auteurs feesten van allerlei aard, bijvoorbeeld als gevolg van de Reformatie of de Franse Revolutie. Ze onderzoeken de rol van traditie en innovatie bij feestelijk vertier, de weergave en verslaggeving van feestelijkheden in media en kunsten, de rol van materiële cultuur in festiviteiten en de rol van veranderende normen en waarden met betrekking tot feestvieren in uiteenlopende sociale milieus. Zowel elitaire festiviteiten als vormen van volksvermaak komen aan bod. Zo gaat het onder meer over vorstelijke intredes, carnavalsvieringen, feestmaaltijden, loterijen, 'kwelspelen' en illuminaties.

  • De vroegmoderne periode kan de laatste jaren rekenen op grote belangstelling in Nederland en Vlaanderen. In maatschappelijke discussies over (nationale) identiteit, onderwijs en de erfgoedsector wijzen opiniemakers bijvoorbeeld graag op de economische, politieke, sociale en culturele verworvenheden van de periode voor 1800. Deze interesse in het verleden is uiteraard toe te juichen, maar het politieke gebruik van historische verwijzingen staat ook op gespannen voet met wetenschappelijke geschiedbeoefening. Beleidsmakers lijken geschiedenis te zien als een grabbelton waaruit ze naar believen kunnen putten. Vele vroegmodernisten staan dan ook eerder sceptisch tegenover de maatschappelijke benutting van academische inzichten. Hoe gaan historici van de vroegmoderne tijd best om met deze praktijk?

    Deze vraag staat centraal in dit nummer van Nieuwe Tijdingen. De bijdragen besteden onder andere aandacht aan het gebruik van vroegmoderne geschiedenis in discussies over canonvorming, (post)kolonialisme, nationalisme en historische vergelijkingen. Het jaarboek werpt daarmee nieuw licht op de vraag hoe en waarom (onderzoek over) de vroegmoderne periode wordt geïnstrumentaliseerd en gerepresenteerd in actuele maatschappelijke debatten, en welke rol vroegmoderne historici daarbij zouden kunnen spelen.

  • Terwijl de tijd vervliegt, is ruimte weerbarstig. Dat bleek in het bijzonder in de Reformatietijd van de zestiende en zeventiende eeuw. Toen werd het religieuze landschap weliswaar grondig hertekend, maar ruimtes die van oudsher een sacrale status hadden (zoals kerken, koren en kerkhoven) bleven vaak ononderbroken in gebruik, al dan niet met een andere functie. Deze Nieuwe Tijdingen onderzoeken daarom het (her)gebruik van sacrale ruimtes in tijden van ingrijpende religieuze verandering, een thema dat vandaag een belangrijk onderzoeksobject is geworden in het vroegmodern onderzoek. Tegelijkertijd brengen ze onderzoek over de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden samen. Zo blijken ruimtes te lezen als palimpsesten, met laag na laag vol betekenis. Ruimtes laten niet gemakkelijk los.

empty