• DRIE JONGENS.
    EEN GEVAARLIJKE REIS.
    EEN ONVERGETELIJK AVONTUUR.

    Op zee zwalken zonder een streepje land in zicht, de wijde wereld zien, een ontploffing op volle zee... Het klassieke verhaal over Hajo, Rolf en Padde, die met De Nieuwhoorn van schipper Bontekoe in 1618 naar de Oost trekken, is niet weg te denken uit de Nederlandse jeugdliteratuur. Al negentig jaar lang weet het avontuur van de drie scheepsjongens, geïnspireerd op het scheepsjournaal van schipper Bontekoe, jong en oud te boeien.

  • Deze roman uit het soldatenleven is zo langzamerhand klassiek geworden. In de jaren dertig werd er al een film van gemaakt en nu werd het verhaal voor de TV bewerkt. Wie kent ze niet: DAANTJE, de schutterige, provinciale gruttersjongen voor wie de militaire dienst meteen een kennismaking met de grote stad betekent. Hij stort zich dan ook hals over kop in een liefdeshistorie met de knappe BETSY, beslist niet zo naïef, die Daantje luchthartig om haar - welgevormde - vingertje windt. Gelukkig is er slapie TOONTJE om Daan in bescherming te nemen. Toontje kent het leven en weet moeilijke situaties met humor op te lossen, intussen zichzelf beslist niet vergetend.

  • 'Er zijn geen echte gekken meer op Capri, alleen nog maar namaak-gekken,' zei Castello, de Caprese schilder, tegen Johan Fabricius toen ze elkaar een paar jaar geleden terugzagen...
    Fabricius heeft van deze echte gekken nog een aantal gekend en vertelt in dit boek over hen.
    Over Markiezin Casati, eens een beroemde Parijse schoonheid, geliefde van d'Annunzio, inspiratrice van de eerste surrealisten;
    Over Mario Cottrau wiens grootvader nog de hand van Marie Antoinette kuste:
    Over Italiaanse prinsen met historische namen;
    Over puissant rijke Amerikaanse vrouwen met hun ongewone zorgen.
    Johan Fabricius roept een Capri voor ons op zoals het in de loop der eeuwen was, zoals het is en zoals het altijd zal zijn: een vreemd betoverd eiland met wonderlijke habitués.

  • Weet je nog, Yoshi?

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 19 Maart 2013

    Fabricius, ijverig globe-trotter, als kind al vertrouwd met de wereld van het verre Oosten, vertelt in deze fijnzinnige liefdesroman over Japan en het moderne Japanse meisje Yoshi. Zijn boek speelt in het jaar voor de Olympische Spelen, in 1963 dus, toen de auteur voor de derde maal een tijd lang door het Land van de Rijzende Zon rondzwierf, maar hij blikt ook terug op de vooroorlogse dagen en op de barre winter onmiddellijk na Hiroshima.
    'Weet je nog, Yoshi?' is een verhaal vol sfeer. Wij maken het kinderfeest 'Shichi-go-san' mee, wanneer al de mooie oude kimono's weer voor de dag komen; wij dwalen door het tempelwoud van Nikki met z'n duistere coniferen, door de Tokio'se vermaakswijk. Asakusa met z'n kabuki- en strip-tease theatertjes, door het quartier latin van de Japanse hoofdstad, waar studenten en artiesten in halfdonkere 'coffe-shops' naar Bach en Beethoven luisteren.
    Fabricius voert ons met evenveel humor als kennis van zaken een theehuis binnen in het op last van MacArthur opgeheven en voor altijd verdwenen Yoshiwara, Tokio's liefdeswijk.
    Tegen deze verrukkelijke achtergrond van pikant beschreven Japanse folklore en het gestyleerde Japanse landschap speelt zich een ydille tussen oost en west af. Wij komen in kleine Japanse hotels, 'ryokan' geheten, waar nog in paradijselijke onschuld het familiebad wordt genomen en waar de liefde, hoe klandestien ook, een ontwapenend huiselijk, vertrouwd en zedig karakter krijgt. Fabricius geeft ons, verweven met het liefdesthema dat zijn boek beheerst, een beeld van de geweldige sociale omwenteling die op de verloren oorlog is gevolgd, de tragische kanten aan het elkaar-niet-meer-verstaan tussen oud en jong. En bij alle verwestersing van het om zijn assimilatievermogen vermaarde Japan, blijkt weer dat oost en west twéé werelden zijn...

  • Flipje

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    "Terwijl ik in gedachten door het venster naar buiten keek, zag ik mijn vijfjarig zoontje over het houten tuinhek liggen. Hij was stout geweest, mocht dien middag niet de straat op en onderhield van daarboven op het hek een conversatie met de kinderen en de oudere dames die voorbij gingen.
    Het woei herfstachtig; een paar vriendjes zwierden in een zeilwagen voorbij, en ik had meelij met hem, omdat ik de temptatie kon meevoelen. Even later klink uit de verte hoornmuziek en gezang van het Leger des Heils - en nu lag mijn zoontje niet meer op het hek: hij was verdwenen, met zijn onafscheidelijk step. Het dienstmeisje werd er op uitgestuurd om hem te zoeken... en ik schreef het eerste hoofdstuk van een boek dat over de romantische lotgevallen van Flipje handelt. Toen hij weer thuiskwam, was hij in mijn boek reeds ver van huis en zoekgeraakt. Ik herleefde zelf nog eens weer den tijd waarin Sinterklaas nog een heilige van onaangetast gezag is en Zwarte Piet de duistere belichaming van het Schuldbewustzijn. Ik herleefde een zomervacantie zooals ik ze als kind zelf doormaakte. Ik gaf Flipje vriendjes en vriendinnetjes, ik gaf hem het meisje waar zijn kleine hart reeds naar uitgaat; ik gaf hem een neefje, dat - sterker dan hij - hem telkens op hinderlijke wijze dit "sterker-zijn" laat voelen. Ik gaf hem als machtige beschermers zijn vader, Aagje, het nieuwe dienstmeisje, Toon den Groenteboer, Gerrit den slagersjongen; ik liet juffrouw Uyttenbroek vinnig op Flipjes ballen loeren, die nu en dan per ongeluk in haar tuin terechtkwamen.
    Ik schiep ook een gevaar voor Flipjes vader: de verleidelijke mevrouw Harinxma, die in dezelfde straat woont en ditmaal was het Flipje, die zijn vader wist te beschermen.
    Het boek dat uit dit alles ontstond is nauwelijks een roman, maar misschien kan het een glimlach schenken aan allen, die zich nog herinneren dat zij zelf eens klein waren en andere problemen, andere vreugden en andere smarten hadden."

  • Schimmenspel

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    In deze roman plaatst Fabricius niet slechts Oost tegenover West, gelijk hij dit in Setoewo, de Tijger deed, maar ook en vooral het nieuwe Indonesië tegenover de oude, stijlvolle wereld van overerfde traditie en cultuur zoals deze, geheimzinnig gesloten voor de buitenstaander, nog voortleefde aan de Javaanse vorstenhoven, met hun gamelanspel en wajang-voorstellingen, hun verfijnde dansen. Reeds in haar laatste nabloei, had deze wereld niet meer de kracht zich te handhaven in de grote omwenteling der tijden. De auteur belichaamt dit stille drama in de figuur van Raden Mas Koesoemo, de kraton-danser, die voor de oorlog triomfen vierde in de Europese hoofdsteden - en in zijn in die tijd uit een Nederlandse vrouw geboren zoon Widjojo, die, in Holland opgroeiend onder de hoede van zijn moeder, zijn onstuimige jongensverbeelding de vrije teugel laat en zich zijn vader, over wie hij zoveel gehoord heeft, als een van glorie omgeven held voorstelt daar in de Kraton, heerlijke droomwereld van oosterse cultuur. Dat deze droomwereld ten ondergang gedoemd is in een republikeinse staat, dringt niet tot Widjojo door, die, zoon van een Javaan, vuur en vlam is voor het Javaanse nationalisme en voor het nieuwe, vrije Indonesië.
    De onvermijdelijke ontgoocheling komt pas wanneer hij, na zijn studies in Nederland beëindigd te hebben, zijn ten val gebrachte, oud en arm geworden vader gaat bezoeken daar in het verre land, dat hij voor het eerst met eigen ogen aanschouwt. Waar staat hij nu? Waar behoort hij thuis?
    Schimmelspel heet dit boek. De vader is voor de zoon een schim geweest, de zoon voor de vader. Zij zijn aan elkaar voorbij gegleden als de schaduwen op het zwakverlichte scherm van de "dalang", de wajang-speler, die de poppen in zijn handen doet bewegen en de schone ouder verhalen uit Java's ver verleden vertelt.

  • Kasteel in Karinthie

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    Deze grote familieroman speelt zich af op een oud kasteel in de verlatenheid der Karinthische bossen. De lotgevallen der hoofdpersonen, allen leden van een oud adellijk geslacht, worden geschilderd tegen de achtergrond van de dramatische gebeurtenissen in de wereld tot na het einde van de eerste wereldoorlog, dat ook het einde was van de vroegere Donaumonarchie.
    Alg. Handelsblad: Telkens weer wordt de lezer door boeiende beschrijvingen en door zuivere karaktertekening en gevoelsontleding in spanning gebracht. En hij volgt de wederwaardigheden der voornaamste figuren als behoorden zij tot de kring zijner vrienden.
    Johan Fabricius over het ontstaan van dit boek: "Een bezoek aan het diep in de bossen verscholen slot Drasing, waar wij een dag waren uitgenodigd, legde de kiem voor het Oostenrijkse familieverhaal 'Kasteel in Karinthië'. Bij het schrijven van deze roman heb ik steeds Schloz Drasing voor ogen gehad, met z'n zware muren en grote sombere vertrekken, z'n Romaanse bogengang rondom de binnenhof, z'n rusteloos rondfladderende rumoerige kraaien en roeken. Ik zei tegen mijn vrouw: "Hier zet ik een oud-Oostenrijks gezin neer en laat ik kinderen opgroeien. Tegen dat ze volwassen zijn, komt de oorlog en de evolutie."
    Mijn vrouw moest lachen, omdat zij merkte dat ik fictie en werkelijkheid al nauwelijks meer wist te onderscheiden. Zo ontstond het gezin van de oud-majoor Von Weygand, uit wiens late huwelijk nog vijf kinderen werden geboren. Hun levenslot zou door een dramatisch brok Oostenrijkse geschiedenis worden beheerst. (Uit 'Mijn huis staat achter de kim').

  • Nacht zonder zegen

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 14 Maart 2013

    In Nacht zonder zegen is een geheel nieuwe Fabricius aan het woord. Reeds de achtergrond van deze roman verschilt van die welke wij van hem kennen: het boek speelt in het na-oorlogse Londen de stad, die hem na een verblijf van vele jaren vertrouwd en lief geworden is. Het wel zeer précaire thema sexuele criminologie is met zoveel menselijk begrip en mededogen behandeld, dat al het moedwillig sensationele eraan ontnomen werd; men kan slechts medelijden gevoelen met de gewezen postbeambte Alfred latimer, die, na een vreugdeloze jeugd, uit zwakte en argeloosheid een huwelijk aangaat dat tot een hel wordt, en die, tijdens de Londense bombardementen tot weduwnaar geworden, vreemde en duistere instincten in zich ontdekt. Is hij erfelijk belast, zoals hij zelf meent, of heeft Elsie, zijn gestorven vrouw, hem een obsessie als erfenis nagelaten? Zeker is, dat zijn dwanggedachte hem ten val brengt, tezamen met Gwen, het straatmeisje dat hij in een van de duistere lanen van het avondlijke Hyde Park leert kennen.
    Een grote figuur in dit boek is Mavis, een reeds oudere volksvrouw, die, als zij door de kracht harer liefde voor hem zijn geheim doorgrondt, hem nog tegen zichzelf tracht te beschermen. Zij is grootmoedig bereid zich daartoe zelf ten offer te brengen, maar Alfred Latimer blijkt niet meer te redden.
    Als steeds bij Fabricius, rijzen in deze roman mensengestalten op, die ons bijblijven; maar daarnaast leren wij een on-conventioneel Londen kennen: het Londen niet slechts van Oxford Street, Paddington Station en Piccadilly, maar dat van de kleine man, zoals hij dooreenkrioelt in deze milioenenstad en zijn goedkope en simpele genoegens zoekt in de pub, bij de zeepkistredenaars van Marble Arch en bij de dog races van White City.

  • Toontje poland

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    Avonturenverhaal vol kleur en spanning over de belevenissen van Toontje die, elf jaar oud, van huis wegloopt. Voor hij het weet zit hij op de Koninklijke Kwekelingenschool in Den Haag, waar wezen en jongens uit armenhuizen worden geloosd om te worden opgefokt tot soldaten van koning Lodewijk. Het zal je maar overkomen! Daar blijft het trouwens niet bij, want na de inlijving van Nederland bij Frankrijk komt Toontje bij de Franse vloot terecht. Die ligt voor Vlissingen vergeefs te popelen om in opdracht van Napoleon Engeland binnen te vallen. Gelukkig heeft Toontje zijn vrienden Klaas en Hein.

  • Hotel Vesuvius

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 30 Mei 2013

    Deze luchtige, ietwat satirische roman speelt zich of op het schone eiland Capri, aan de vooravond van de tweede wereldoorlog. De hoofdpersoon is een "verkeerde" jonge Italiaan, Renato Colleoni, die in Hotel Vesuvius op de pof leeft. Hij is fascist, paradeert altijd in de uniform van de partij, doch bezit jammer genoeg voor hem maar een mooi zwart hemd dat hij eens in de veertien dagen wast; hij komt dan niet op straat voordat het droog is. Zijn uniform en partijlidmaatschap dienen hem alleen om de vrouwelijke elementen van de Kraft-durch-Freude toeristen, die het eiland overstromen, in de ban van zijn mannelijke bekoring te brengen. Tot zijn vurige bewonderaarsters behoort ook het slonzige maar goede kamermeisje Nenella, dat hem altijd van zakgeld voorziet en dan zelf platzak is. Rondom deze kleine intrigant beweegt zich een aantal boeiende en merkwaardige figuren: een duitse balling; een schotse kunstschilder; een ezeljongen die verliefd is op Nenella; een belastingbeambte met twaalf kinderen; een postbode die de fascisten op de castor-olie kuur hebben getracteerd, en lest best een portret van Hitler. Achter dit alles hangt de schaduw van dreigende internationale verwikkelingen, waarvan de meeste Italianen echter geen besef hebben. De eenvoudige lieden uit dit boek horen wel de bezeten stemmen van Hitler en Mussolini, maar ze halen hun schouders op, dapper hun best doende om een eerlijke boterham te verdienen, en verbitterd over die bemoeials in Rome, al durven ze daar niet dikwijls voor uit te komen.

  • In een oud smal Amsterdams huis woont een uiteenlopend groepje mensen bijeen: Nel, die beneden een sigarenwinkeltje heeft, haar niet meer jeugdige commensaal Hein, met een wat pijnlijk verleden, een jonge graficus Stan, een keurige juffrouw De Booij, die een bemiddelingsbureautje houdt en - op de zolderverdieping - nog een hard blokkende student.
    Geleidelijk-aan wordt het geheim ontrafeld van een bij de Magere Brug - een steenworp van het huis - opgeviste dode. Weet Hein daar meer van? Het is zijn voorrecht geweest bijna als een liefhebbende vrouw te mogen zorgen voor de door hem vereerde jonge kunstenaar Stan. Tot er een indringer kwam die zijn bescheiden, moeizaam veroverd geluk verstoorde.
    Elk van de figuren uit dit boek belichaamt een grote of kleine menselijke tragedie. Zoals Hein teleurgesteld wordt in zijn - onbewuste - homofiele gevoelens voor Stan, zo is Nel het in haar zwoele verlangen naar Hein, die onmachtig is om een vrouw gelukkig te maken. Ook Stan is op zijn wijze teleurgesteld: hij worstelt vergeefs tegen snobistische stromingen in de moderne kunst.
    Dit is een meedogend boek dat zich laat lezen als een thriller: het heeft de spanning ervan.

  • Johan Fabricius heeft heel wat afgezworven in zijn lange leven. In de herfst van 1945 bracht hij samen met de Sultan van Ternate de mare van de bevrijding en van de onvermijdelijke democratie aan de nog argeloze bewoners van de noordelijke Molukken, In het voorjaar van 1946 vertelde Generaal Mac' Arthur hem dat de Nederlanders het in hun oude kolonie helemaal verkeerd hadden aangepakt.
    In Port Lligat vertrouwde Salvador Dalí hem toe dat hij zich met zijn geliefde Gala zou laten invriezen om na 1000 jaren weer op te staan en nieuwe sensationele schilderijen over een verbijsterde wereld uit te storten. Fabricius bericht over de heilige stad Kairoeaan, waar een arische domineesvrouw uit Hitlers Derde Rijk geconfronteerd wordt met een verontrustend voorbeeld van rassenschande. Tijdens de revolutiedagen op Java bevrijdt hij, gesteund door 2 collega-oorlogscorrespondenten en 90 Ghurka's een belegerd Christendorp; later vist hij forellen in een synthetisch Hollywoods meer; een halve eeuw vroeger ziet hij de dikke koning Foead, vader van de nog dikkere Farouk, in een rijtuig met acht sneeuwwitte schimmels voorbijrijden; daar tussendoor valt hij tijdens een beroemd/berucht PEN-congres in Dubrovnik in ongenade bij Herr Doktor Josef Goebbels.
    Hij duikt in een Japans gemengd bad en is er bij als Java's Japanse opperbevelhebber Yuichiro Nagano in uiterste verlegenheid zijn eeuwenoude samoerai-zwaard loshaakt om het aan de geallieerde overwinnaars af te geven. Hij laat ons kennismaken met Neanderthalers en de geboorte van de kunsten en volbrengt - zij het niet op de schaats - de laatste roemrijke Elfstedentoch; wanneer was dat?

  • Uit een familie-album

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 19 Maart 2013

    De Fabricius-fans hebben al wel eens eerder kennisgemaakt met zijn roemruchte "Oom Pietje", de grote visser uit de familie, en zijn "Tante Grietje", die zich van haar huwelijksnacht zoveel meer had voorgesteld dan haar deel zou worden. Deze keer echter verdiept hij zich ook in de huwelijksperikelen van zijn nichtje Jóchie, naar wier warme mezzo-sopraan de mensen op straat bleven luisteren, maar die het met de liefde ook niet zo trof en, ten einde raad, haar man Roelof Bulders aan een vuurproef onderwierp: een bedwelmend geurend hyacinthenveld, stralend in de lentezon en gestreeld door een verkwikkende zeebries, zou het slagveld worden waarop hij zijn minnevuur moest bewijzen.
    Deze nieuwe bladzijde uit Fabricius' "familie-album" sluit zich in haar lichte humoristische en soms vertederende vorm aan bij het recente "De hoed met de struisveer" waarin hij vertelt hoe zijn moeder - in 1894 - als "handschoentje" naar Indië reisde, waar haar man stond te trappelen om haar in zijn armen te sluiten. En hoe het tijdens de stormachtige ontmoeting haar hoed met de struisveer, een waar pronkjuweel, verging.

  • Dag, Leidseplein

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    In dit met lichte hand geschreven, zonnige boek maakt de oudere Fabricius zich vrolijk over de jeugdige artiestenbent rondom het Leidseplein.
    Mark Ouwendijk krijgt van het moderne kunstuitingen welgezinde Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maartschappelijk werk een reisbeurs toegewezen voor zijn nuclaeir gedicht 'vervloekte wedergeboorte', en na zijn schuldiesers - vervelende volhardende lieden - te hebben tevredengesteld, koopt hij van het overgschoten reisgeld een oude C.V.2.
    Met zijn liefje Cléo, op weg om moeder te worden, trekt hij met deze 'Lelijke Eend' Frankrijk in, op zoek naar de zon en naar dichterlijke inspiratie. De op het Amsteramse asfalt opgegroeide hond Jimmy is L'es Dritte im Bunde.
    Onder zéér penibele omstandigheden leren Mark en Cléo de ouderzegen kennen, en het drietal, nu tot een viertal uitgebreid, vindt onderdak in een boerderij zo schilderachtig smerig als alleen maar een Franse boerderij kan zijn. Daar moet Mark, als het klaplopen op het laatst werkelijk niet langer vol te houden blijkt, tot zijn niet geringe ontzetting de tot dusver nog zelden met werk bezoedelde handen uit de mouwen steken. Het is dán dat hij, de door de zon gestoofde Franse aarde in zijn vingers verkruimelend, op een dag de vreugde in de arbeid ontdekt.
    'Dag, Leidseplein' is méér dan een satire; het ademt het leven in zijn volle warmte en is gekruid met een zeer menselijke humor, terwijl de lezer als een welkome toegift een zonnig stuk Frankrijk krijgt opgedist en een blik in een Franse boerderij, waar ganzen gakkend door de modder en mest waggelen; waar vroegrijpe, ongewassen kinderen bij de druivenoogst helpen; waar langs de schaduwrijke berm van het korenveld de liefde der zinnen zich vurig uitleeft.

  • Voorrijden, mevrouw?

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    De schelm in deze overmoedige, soms ook wat trieste roman is Jack, de nog geen dertig jaar oude privéchauffeur bij rijke Haagse mensen. Hij vertrouwt opgewekt op de zwakheid der vrouwen en heeft met deze onder problemen zuchtende tijd geen moeilijkheden. Priapus omnia vincit. Onze samenleving mag dan nog altijd rangen en standen kennen, op het gebied der seks heeft de democratie althans gezegevierd. Jack stelt zijn niet licht versagende viriliteit bovendien nog in dienst van Charitas: hij werkt bemiddelend tussen het dienstmeisje en haar serieuze Gerard, hij troost zijn `mevrouw' in haar verdorde huwelijksbestaan, de dochter des huizes geneest hij van remmende fixaties. Zelfs de verveelde maîtresse van zijn baas geeft hij hoop op een boeiende vakantie à trois in Juan Les Pins.
    Maar waar blijft het loon voor zoveel goede daden? Het noodlot achterhaalt de weldoener. Is er nog wel rechtvaardigheid op deze wereld?

  • In deze roman roept Johan Fabricius het 'Indië' van omstreeks de eeuwwisseling voor ons op, zijn eigen herinneringen completerend met die van zijn vader.
    Laurens de Visser - Louwtje genoemd - wordt na een wat ongelukkige start in de advocatuur door de familie ijlings naar Indië gestuurd. Hier ontmoet hij al gauw zijn noodlot in de gedaante van het Chinese meisje Li. Li blijft ook voor hem een mysterie maar steunt hem in zijn succesvolle carriere. Een carriere die naar een wrang einde voert.
    Nu de interesse voor het oude Indië sterker wordt, ook bij de jongeren, kunnen we ons gelukkig prijzen dat Johan Fabricius zo beeldend deze voorgoed ondergegane wereld in al zijn details en met al zijn sfeer voor ons heeft weten op te roepen.

  • Luie stoel

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 14 Maart 2013

    Roman over de charmante nietsnut, Jean Christophe MacMahon, bijgenaamd Bôm. Hij is vertroeteld door zijn lieve, maar domme moeder, door een ongetrouwde, eveneens lieve maar domme tante, door zijn Javaanse minnares en zijn gefortuneerde, niet meer zo jonge vrouw. Tussen de vrouwen die hem in hun macht willen hebben en die door spanningen en emoties verteerd worden, komt Bôm hopeloos klem te zitten. Hij is te zwak van wil om zich te verweren en in zijn stoel liggend droomt hij van een teder en vredig geluk...

  • Fabricius, die nu de vijftig gepasseerd is, heeft een buitengewoon boeiend en onconventioneel leven geleid; en leidt dat tot op zekere hoogte nog. Het begon er al mee dat hij nooit geruime tijd achtereen dezelfde school heeft bezocht: gevolgd van het feit dat zijn ouders nu eens op Java, dan weer in Parijs of ook wel in Holland woonden. Toen hij in Parijs was wilde hij kunstschilder worden. Hij ging naar de Haagse Academie, maar bleef daar niet lang, want al spoedig bekroop hem de lust als oorlogstekenaar de fronten te bezoeken - de eerste wereldoorlog was aan de gang. Hij kreeg toestemming van de toenmalige Oostenrijkse regering en vertrok naar het Italiaans-Oostenrijkse front. Hij tekende daar niet alleen, hij schreef ook brieven naar huis, en zijn vader, de bekende toneelschrijver Jan Fabricius, liet ze lezen aan Johan de Meester, destijds redacteur van De Gids. Deze plaatste er een paar van: de eerste stappen op een literaire loopbaan waren gezet. Voorlopig kwam er echter van boekenschrijven niets. Fabricius bleef tekenen, raakte onder de bekoring van de muziek, en heeft zelfs in die dagen op de planken gestaan. Toen brak de tijd van reizen aan, die op zijn schrijverschap zeer bevruchtend heeft gewerkt. Zijn thans alom bekende romans gingen verschijnen. Charlotte's grote reis, Mario Ferraro's ijdelde liefde, later Komedianten trokken voorbij.
    In zijn memoires, een ernstig woord voor zulk een levenskunstenaar die er daarom het bijvoeglijk naamwoord "vrijmoedige" maar aan heeft toegevoegd, vertelt hij nu van zijn belevenissen in aller heren landen, en brengt hij ons in kennis met de vele boeiende en merkwaardige figuren op allerlei levensgebieden die hij heeft ontmoet. Het is een kostelijk boek geworden. Voortreffelijk geschreven, natuurlijk, maar ook door zijn inhoud verrassend. Zo'n leven te hebben geleid en er zó over weten te vertellen! Fabricius, die het oude adagium van Molière: plaire au public, tot het zijne heeft gemaakt, overlaadt zijn boek niet met kleine bijzonderheden over zichzelf en wie hem na staan. In feite praat hij heel weinig over zichzelf. Hij herschept de toverachtige wereld, waarin hij heeft rondgedoold, die zijn wereld was, waarin hij vaak medespeler, vaak ook geamuseerd toeschouwer is geweest. Dit boek is even onderhoudend als zijn beste roman. Dat hij als romancier nog dikwijls terugdenkt aan zijn eerste liefde, de tekenstift, en het niet bij denken laat, bewijzen de vele tekeningen, het zijn er 130, waarmee hij zijn boek heeft verlucht. Ook de stofomslag is eigen ontwerp.

  • Dit is het portret van een schatrijke Indische mama, uit de vorstenlanden van Java, waarin haar hart nog toeft, naar Den Haag overgeplant en door haar schoonzoon Bob en haar dochter Julie meegenomen op een vakantiereis naar Capri, omdat deze twee het sedert de dood van papa - eens Toewan Besar van de suikeronderneming Gedong Doro - het niet vertrouwd vinden haar alleen in Den Haag achter te laten, waar zij bij een vorige gelegenheid, haar koffie-met-slagroom bij Lensvelt drinkend, een meneer van Drimmeler ontmoet heeft: een toch zo sympathieke heer die alles van aandelen en obligaties afwist en de in zaken minder beslagen weduwe spontaan aanbood, haar bij de belegging van haar kapitaal met raad en daad terzijde te staan.
    De vakantiereis is eigenlijk een uitgestelde huwelijksreis, omdat het jeugdig bruidspaar destijds halverwege Madeira telegrafisch werd teruggeroepen: papa had een beroerte gekregen als gevolg van een familieruzie na het bruiloftsdiner in het Scheveningse restaurant Bali.
    Op mama moet dus een beetje gepast worden en dat blijkt geen sinecure; tijdens de autotocht naar het zuiden zorgt zij, ook al door haar grote openhartigheid in politieke aangelegenheden, voor de nodige complicaties. Op Capri nieuwe moeilijkheden, maar deze keer ook omdat Bob zelf niet ongevoelig blijkt voor de gevaarlijke geest van het Sirenen-eiland. Op het laatst neemt mama's leven een dramatische en zelfs tragische wending - wat er weer toe leidt dat haar schoonzoon, nu een rijk en gezeten man, een nieuw levenspatroon voor zichzelf uitstippelt, terwijl Julie onbewust in de huid van mama kruipt.
    Fabricius neemt u mee naar het Weinhaus Zum Feisten Bacchus aan de Rijn, naar een landelijk hotelletje aan de Zwitserse Wallensee, naar een oud-Tirools Gasthof op de Brenner, waar je de rook en de bierlucht kunt snijden en waar mama geniet van Schuhplattler-dans en Zithermusik, door papa eens zo bemind; dan via Bologna, waar er iets opwindends met mama's juwelen gebeurt, en de Viale del Sole naar Napels en het de schrijver zo vertrouwde Capri, `dit eiland waar niets meer reëel schijnt'.
    Een kleurig boek, humoristisch, maar niet zonder de trieste noot die het zout is dat aan de humor zijn smaak geeft.
    De figuren in Fabricius' nieuwe roman zullen u aan het hart groeien, in de eerste plaats de formidabele mama zelf, die toch zo weinig doet om zich bij u bemind te maken en wier feilen de auteur zo meedogenloos aan het licht brengt.

  • Toernooi met de dood

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 19 Maart 2013

    De nieuwe Fabricius speelt - gelijk zijn Komedianten trokken voorbij en De grote geus - in een vervlogen tijd. Voor zijn Tournooi met de dood heeft hij het Florence uit Boccaccio's dagen gekozen, en met de verve en de dramatische kracht die wij van hem kennen, vertelt hij ons over de Zwarte Dood, de Pest-epidemie van 1348 die, na in Italië honderdduizenden slachtoffers hebben geëist, nog gans Europa zou teisteren.
    De rijken vluchtten uit de besmette steden van Toskane naar hun buitens, waar zij in landelijke afzondering veilig het einde van de Plaag meenden te kunnen afwachten. Na een inzet van waarlijk epische allure zien wij een stoet jonge ruiters uit Florence wegtrekken, om in de villa Quattroventi bij Fiesole het pijnlijk drama van hun tijd zo goed mogelijk te vergeten bij wijn en goede spijzen, bij jacht en liefdesspel. Deze scene en de zorgeloosheid waarmee het jeugdig gezelschap zich tijdens de gedwongen villegiatuur aan de vreugden des levens overgeeft brengen ons Boccaccio's Decamerone in herinnering. De wereld was jong in die dagen: men leefde driftig, vurig. Het sociale bewustzijn was, behalve onder de geestelijkheid, nauwelijks ontwaakt. De rijkaard had koffers vol goud, at en dronk als een vorst, kleedde zich in fluweel, zijde en damast en warm, zacht bont, en beschermde zich met dikke stenen muren tegen de arme, die in lompen ging, honger en koude leed en bedelend de hand ophief.
    Maar de Zwarte Dood, somber oprijzend aan de horizon, hield geen rekening met deze stevig gevestigde sociale orde: stoorde zich aan geen muren of traliewerk. En voor hij op zijn gruwelijk pad was verder gegaan, had hij de paleizen der vergeefs voor hem gevluchte rijkaards opengezet voor de daklozen. Hier is de parallel tussen dit boek en de rampen die wij in onze dagen hebben beleefd: een epidemie, gelijk een grote oorlog, baart een nieuwe wereld.
    Onvermijdelijk nadert het ogenblik waarop de Zwarte Dood ook de villa Quattroventi bereikt en, gruwzaam toeslaand, het troepje overmoedigen en zorgelozen verbijsterd doet uiteenstuiven. Het is dan dat enkelen onverwachts hun menselijke waarde tonen; anderen, niet opgewassen tegen de beproevingen, verraden makkers en vriendinnen in hun wilde drang tot zelfbehoud. De maskers vallen, en het roekeloze spel wordt rauwe tragedie. Sterk beeldend als hij steeds is, schept Fabricius hier onvergetelijke scenes van een soms adembenemende kracht. Verder wemelt dit werk van figuren die de lezer zullen bijblijven, de oude, nog zo vitale mevrouw Sabina Orlancini, haar vroeg vergrijsde zoon Giacopo, die uit de algemene nood geleidelijk voordeel voor zichzelf tracht te slaan, en zijn nog mooie vrouw Helena, die haar gemiste jeugd betreurt: daar zijn Sabina's kleinzoon Luciano en diens blonde veertienjarige verloofde Beatrice, haar kleindochter Lucrezia die zich in haar trots pantsert tegen de vernederingen welke haar man haar aandoet: de bruut en veroveraar Ruggiero. Daar zijn Beatrice's ongelukkig geëindigde Moorse knechtje kamenier Rosalba - en daar is deze vreemde valet Silvestro, die, lang en mager en met donker gloeiende ogen, wordt gekozen om in een zondig-lichtzinnige pantomime de rol van de Dood te vertolken...

  • Wanneer Johan Fabricius een reis door een of ander deel van de wereld gemaakt heeft, kan men er zeker van zijn dat er vroeg of laat een boek uit voortkomt. Hij weet altijd haast intuïtief tot de kern van de dingen door te dringen en zijn lezers een heldere indruk van de beschreven landen en hun bewoners te bezorgen. Zo ook de verhalen die in het Caraïbische gebied spelen. We lezen o.a. over de oude Yaya, die zich zorgen maakt over `de pil' van haar dochter. Over Sjon Bomba, de geweldige, die als Simson van zijn lokken beroofd wordt.
    Een van de hoogtepunten in de bundel betekent het verhaal Broer en Zuster, dat handelt over de oude Lorothee die ondanks alle uitgeoefende druk het oude familiehuis niet wil verlaten.
    De moeilijkheden die zich voordoen als een Nederlands meisje met een Antilliaan trouwt en het echtpaar zich in zijn land vestigt, beschrijft Fabricius in Macambe.
    Tenslotte betekent het carnaval in Grenada tegelijkertijd het einde voor een oude ongetrouwde Curaçaose; haar begrafenis vindt onder de meest bizarre omstandigheden plaats.
    We kennen Fabricius vooral als romancier, maar hoe verrassend zijn ook deze verhalen, korte schetsen met een simpele intrige, soms navrant, maar steeds gloeiend van leven als de Caraïbische zon.

  • Met klein orkest

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 14 Maart 2013

    Een verzameling novellen, die alle een andere plaats van handeling hebben. Ze zijn verbonden door het talent van Johan Fabricius, die elk facet van zijn schrijverschap gebruikt, beurteling humoristisch, ironisch en tragisch. Een indrukwekkende bundel over Indonesië 1945, een chaotisch land. Soldaat McDouglas blijkt niet ontvoerd te zijn, zoals gevreesd werd.
    Charles Baxter vraagt zich af: `Ben jij dit, Charles Baxter? Ben jij het werkelijk?' Wat bezielde de brave vertegenwoordiger om de benen te nemen, zijn vrouw achter te laten en naar Parijs te vertrekken? Eigenlijk... een verkeerde hotelkamer.
    Een vreemdsoortig studentenhuwelijk op een vreemdsoortige plaats: Schiermonnikoog, dat een dag Ile de Cythère leek.
    Een zorgzame verpleegster. Haar patiënt trouwt haar niet, zelfs niet uit dankbaarheid.
    /> Waarom verkoopt de juwelier Danny een collier voor $ 500, dat eigenlijk $ 1200 waard is? Zijn Susan blijkt er iets mee te maken te hebben.
    Brave John, bijna vader van een buitenechtelijk kind.

  • Langs de Leie

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 14 Maart 2013

    'Madam? Madam Rosalie? Daar is 'm weer! Meneer Vermeire van de bank!'
    Zij moest lachen over de diepe zucht waarmee dit nieuws begroet werd. ''k Heb gedaan wat ik kon om 'm weg te krijgen, madam! 'k Hem 'm gezegd dat ge u aan 't kleden waart om uit te gaan. Maar hij kwam tóch binnen! 't Was niet voor lang, zei 'm...'
    'Ewel, hij zal moeten wachten. Zegt 'm dat maar.'
    'Jawel, madam.'
    Tevreden slofte Blanche heen. En Rosalie, peinzend haar volle blanke schouders daar in de spiegel van haar toilettafel bekijkend, kleedde zich nog wat trager dan tevoren.
    Daar was hij dus weer, haar stijve hofmaker, die het zo serieus meende en haar nu al maanden lang vervolgde, minstens twee maal per week zijn vormelijke, steeds genanter wordende bezoeken afstekend zonder dat hij het grote woord over de lippen kreeg.

  • Het portret

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    Die hele winter had schilder Rik Bergmans niets dan pech gehad, zijn vriendin Joekie moest dan ook links en rechts op de pof kopen. De portretopdracht bracht ze daarom in de zevende hemel; bovendien viel de bijgesloten foto enorm mee: die vrouw had wel iets. Alles leek voor elkaar, maar als Rik en Joekie bij de rijke echtgenoot arriveren, blijkt het model kwaad te zijn weggelopen; ze wil niets meer met man en portret te maken hebben. Rik laat het niet op zich zitten: hij wil graag het schilderij maken maar er is toch ook nog een ander element bijgekomen... de vrouw op de foto boeit hem zeer. Hij gaat haar dan ook achterna om haar over te halen zich toch te laten schilderen. Maar dat blijkt niet zo eenvoudig te zijn. Ze wil een naaktstudie van zichzelf en speelt een geraffineerd spel met de jonge kunstenaar...

empty