• Nergens wordt zoveel gewandeld als in het werk van J.J. Voskuil (1926-2008).
    Vanaf de jaren vijftig maakte de schrijver met zijn vrouw Lousje jaarlijkse wandeltochten in voornamelijk Frankrijk, en het liefst in de Auvergne. Van iedere vakantie werd een uitvoerig dagboek bijgehouden dat later werd gebundeld onder de titels Terloops, Buiten schot en Gaandeweg.
    Maar ook in de romans Bij nader inzien en Het Bureau laat Voskuil zijn alter ego Maarten Koning veelvuldig wandelen. Eind jaren vijftig beginnen de dagelijkse wandelingen naar en van zijn werk aan het Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde. Tussen de middag maakt Maarten meestal een wandeling over de grachten of een 'ommetje' naar de Amstel. Er wordt ook geregeld 'buiten' gewandeld: op weg naar de 'Boerenhuisclub' door het Arnhemse Sonsbeekpark, na een vergadering van de Zeemuseumcommissie over de dijk van Enkhuizen naar Hoorn. In de weekends trekken Maarten en Nicolien er samen op uit. Voor Maarten is het vaak een vlucht naar buiten. Pas op afstand van het Bureau en andere mensen vindt hij geheel zichzelf en voelt hij zich bevrijd.

  • De roman Bij nader inzien, voor het eerst verschenen in 1963, is de fascinerende beschrijving van een groep studenten Nederlands in Amsterdam tussen 1946 en 1953. Met een grote rijkdom aan onvergetelijke details weet J.J. Voskuil de typisch na-oorlogse atmosfeer van het studentenleven uit die tijd op te roepen. Vooral via de talloze op studentenkamers gevoerde discussies, waarin de literatuur een belangrijke rol speelt, raakt de lezer heel geleidelijk bekend met de persoonlijkheid en de opvattingen van elk van de personages: de studenten voelen verwantschap met het gedachtegoed dat het tijdschrift Forum in de jaren 30 uitdroeg: het denken in vriend en vijand, de nadruk op intelligentie en de afkeer van wetenschap.
    Maarten Koning, alter-ego van de schrijver, leert zichzelf bij stukjes en beetjes kennen, door te letten op hoe hij reageert op verschillende situaties, alleen, of met anderen. Een centrale vraag voor hem, en daarom ook in de roman, is die naar de betekenis van vriendschap. Maarten Koning moet uiteindelijk ervaren dat vriendschap bij nader inzien niets te betekenen heeft. Drieëndertig jaar na de verschijning van deze debuutroman verscheen het eerste deel van Het Bureau, een roman in zeven delen, waarmee Voskuil zijn naam als schrijver definitief vestigde.

  • Het A.P. Beerta-Instituut, het vierde (en dikste) deel van Het Bureau omspant de jaren 1975-1979. Als gevolg van Beerta's uitschakeling komt de verantwoordelijkheid voor de koers van de afdeling geheel bij Maarten Koning te liggen. Met zijn optreden in de voorafgaande jaren heeft hij het zichzelf niet gemakkelijk gemaakt. De Europese Atlas heeft door zijn toedoen op het congres in Hongarije de doodsteek gekregen. En de samenwerking met de Vlaamse redacteuren van Ons Tijdschrift is door zijn kritiek op de opvattingen van Pieters praktisch onmogelijk geworden. De noodzaak om aan het vak een nieuwe grondslag te geven en met een handjevol mensen, zonder hulp van buiten, een tijdschrift te vullen, verhoogt de werkdruk op de afdeling. Dat veroorzaakt spanningen tussen Maarten en zijn medewerkers, maar trekt naarmate de werkdruk toeneemt ook scheuren binnen de afdeling, die hij niet dan met verliezen en met grote moeite weet te krammen. Tegelijkertijd neemt de druk van buiten voelbaar toe. Het hoofd van de afdeling Wetenschapsmanagement van het Departement brengt tot tweemaal toe een bezoek aan het Bureau en een ogenblik ziet het ernaar uit dat het zal worden wegbezuinigd. Het Hoofdbureau probeert zijn greep op het Bureau te verstevigen door steeds hogere eisen te stellen aan de samenwerking tussen de afdelingen en de verantwoording van de werkzaamheden, en door de benoeming van een Wetenschapscommissie die als taak krijgt daarop toe te zien.

    Als gevolg van het klimmen van zijn jaren steeds meer verantwoordelijkheden op Maarten af. Een aantal tijdrovende bestuursfuncties kan hij niet afslaan, waardoor hij dicht bij de grenzen van zijn incasseringsvermogen komt. Dat het lachen de betrokkenen in dit steeds grimmiger wordend klimaat vaak vergaat, hoeft niet te verbazen. Niettemin zijn er ook ogenblikken van een plotseling opbloeiend saamhorigheidsgevoel, van gewoon menselijk verdriet en van vrolijkheid, terwijl er voor de lezer die gevoelig is voor de absurditeiten in het menselijke verkeer opnieuw veel valt te genieten. Het slot, waarin de afdeling zich bij een uitstapje in Drente nog eenmaal hecht aaneensluit en het hele Bureau zich enkele dagen later onder de nieuwe naam A.P. Beerta-Instituut op een groepsfoto laat vereeuwigen, lijkt zelfs uitzicht te bieden op een zonniger toekomst. Dat dat maar schijn is, zal in de volgende delen blijken.

  • Dit tweede deel van Het Bureau, Vuile handen, beschrijft de jaren tussen 1965 en 1973. Buiten woeden het Bouwvakkersoproer, de Maagdenhuisbezetting en de Vietnam-demonstraties. Het Bureau zelf groeit uit zijn voegen en verhuist naar een oud bankgebouw aan de Amsterdamse Keizersgracht. In een conflict met het Hoofdbureau over samenwerking met een Zuid-Afrikaans Instituut voor Volkscultuur neemt Maarten Koning bijna zijn ontslag. De gepensioneerde directeur Anton Beerta blijft achter de schermen actief. Hij haalt Maarten tegen zijn zin in de Vlaams-Nederlandse redactie van Ons Tijdschrift en splitst hem een onmogelijke opdracht in de maag voor de Europese Atlas voor Volkscultuur. Als Maarten zich tijdens een congres van die opdracht tracht te bevrijden, maakt hij zichzelf onbedoeld tot spreekbuis van de jongere congresleden. Dit geeft hem het gevoel in een fuik te zijn gezwommen.

  • In Afgang, deel zes van Het Bureau dat de periode 1982-1987 bestrijkt, ontladen de opgehoopte spanningen zich op alle niveaus. Als hoofd van zijn afdeling op het A.P. Beerta-Instituut stuit hoofdpersoon Maarten Koning op lijdelijk én openlijk verzet tegen het door hem gevoerde beleid. Dit leidt met een aantal medewerkers tot een definitieve breuk. Hij voelt zich mislukt als afdelingshoofd en trekt zich steeds meer terug in zijn andere taken.

    De verhouding met zijn vrouw Nicolien lijdt daaronder. In die zelfde tijd wordt zij geconfronteerd met de ziekte en dood van haar moeder, en korte tijd later met die van hun vriend Frans Veen, de enige die in haar ogen een fatsoenlijk leven heeft geleid. Dat verhoogt haar gevoel alleen te zijn en ze verwijt Maarten dat hij daar te weinig begrip voor heeft.

    Een lastig probleem voor Maarten is de vervanging van directeur Balk, die halverwege dit deel vervroegd uittreedt. Zijn vertrek veroorzaakt een machtsstrijd, die zich aanvankelijk tegen Maarten richt omdat hij de beste papieren lijkt te hebben om Balk op te volgen. Plotseling echter doorkruist het Hoofdbureau alle intriges met de benoeming van een directeur die vooral lijkt te worden aangesteld om harde sanering door te voeren. Tegelijkertijd wordt de Wetenschapscommissie vervangen door een college waarvan verwacht mag worden dat ze de nieuwe directeur in die taak zal steunen. Maartens taak is het dan om de orde op het Bureau te herstellen en de nieuwkomer in te werken. Hij slaagt daarin, maar niet zonder problemen. Ten slotte neemt hij met een bezwaard hart maar zonder spijt ook zelf afscheid.

  • En ook weemoedigheid, deel vijf van Het Bureau, omspant de jaren 1979-1982. Terwijl hoofdpersoon Maarten Koning in zijn vak steeds meer aanzien krijgt, ziet hij de bestuurlijke problemen op het wetenschappelijk Bureau waar hij werkt alleen maar groeien. Bezuinigingspogingen leiden tot toenemende bureaucratisering en centralisering, die de schijn moeten wekken dat er doelmatig en op hoog niveau wordt gewerkt. Intussen dwingt de Vakbeweging een systeem van periodieke beoordeling af, die de bedoeling hebben eventuele ontslagprocedures te vertragen.

    Onder deze druk moet Maarten oplossingen vinden voor de doelmatige besteding van de steeds schaarser wordende financiële middelen. Met zijn radicale voorstellen maakt hij zich niet geliefd bij de andere afdelingen op het Bureau. De eisen die hij aan de kwaliteit van de productie stelt, verdiepen ook de scheuren binnen zijn eigen afdeling, doordat een aantal van zijn mensen hem niet wil of kan volgen. Maar hij moet impopulaire beslissingen nemen, wil hij de afdeling door de bezuinigingsslag loodsen.

    Dat hij in deze machtsstrijd het hoofd boven water weet te houden, komt vooral doordat zijn jaren geteld zijn, wat zich met de pensionering van oudere collega's al aankondigt. Ironisch genoeg vervult hem dat, als hij zich daarvan voor het eerst bewust wordt, met weemoed.

  • In dit laatste deel van Het Bureau ziet Maarten Koning zich al op de eerste dag na zijn afscheid gesteld voor de vraag wat hij met zijn leven moet aanvangen. Hij begint met kleine klusjes in huis, merkt dat hij daarbij Nicolien in de weg loopt die het ontwend is om de hele dag met zijn tweeën te zijn, loopt een blokje om, pakt de fiets en gaat een keer bij het Bureau langs om de drukproeven terug te brengen van het Bulletin, waarvoor hij tot het eind van het jaar nog de verantwoordelijkheid heeft.

    Geleidelijk vindt hij een evenwicht, waarin gevoelens van onbestemdheid afgewisseld worden door die van gelukzaligheid en vrijheid. Af en toe bezoekt hij het Bureau, waar hij plaatsneemt aan het bureau van Beerta, op de zolderkamer die men hem als een pied à terre gelaten heeft om het werk af te ronden voor de commissies waarvan hij nog deel uitmaakt zolang zijn opvolger niet is aangewezen en ingewerkt.

    Als die opvolger eenmaal is aangetreden, sluipt gaandeweg een gevoel van vervreemding binnen. Het gedrag van zijn vroegere medewerkers begint geleidelijk te veranderen. En als op een dag zijn zolderkamer ontruimd blijkt te zijn, ontwikkelen de gebeurtenissen, die leiden tot het onthutsende slot, waarop de titel van dit deel de lezer al enigszins heeft voorbereid, zich snel.

  • In Requiem voor een vriend beschrijft J.J. Voskuil, die in deze roman voor het eerst zijn alter ego Maarten Koning heeft losgelaten, de geschiedenis van een vriendschap. Een vriendschap die haar oorsprong vindt op de middelbare school, vorm krijgt op de universiteit en in de jaren daarna steeds hechter wordt.

    Hoofdpersoon is ditmaal niet de schrijver zelf, maar de vriend, Jan Breugelman. Een sceptische man, onafhankelijk in zijn oordeel, hardnekkig in het zoeken naar waarheden, maar ook illusieloos en relativerend. Als jonge man aarzelt hij op de drempel van de maatschappij, is niet bij machte ergens in te geloven of zich aan iemand te binden en lijkt hij aan het begin te staan van een leven zonder illusies.

    /> Wanneer hij uiteindelijk trouwt met een vrouw die er uitgesproken meningen op na houdt, verliezen zijn standpunten hun voorlopigheid. Hij begeeft zich op het terrein van de politiek en toont op dat gebied een ambitie die hem zelfs in de Tweede Kamer brengt. Dat vervreemdt hem van zijn vrienden, de schrijver en zijn vrouw. Ze groeien politiek van hem weg en herkennen hem niet meer in het fanatisme waarmee hij zijn standpunten naar voren brengt. De bezoeken over en weer worden schaarser, de tegenstellingen scherper, de contacten plichtmatig. Het heeft er jarenlang alle schijn van dat de vriendschap, zoals zoveel jeugdvriendschappen, in de volwassenheid zal doodbloeden. Totdat het leven van de hoofdpersoon onverwacht een dramatische wending neemt, die ten slotte zal leiden tot een tragisch einde.

    Requiem voor een vriend is een poging om, door alle feiten op een rij te zetten, achteraf greep te krijgen op een leven dat bij herhaling onvoorspelbaar is gebleken.

  • Meneer Beerta is het eerste deel van Het Bureau, een roman in zeven delen, die de menselijke verhoudingen op en rondom een wetenschappelijk instituut tussen de jaren 1957 en 1987 tot onderwerp heeft. Hoofdpersoon is Maarten Koning, die ook in Bij nader inzien - het debuut van J.J. Voskuil uit 1963 - centraal stond.

    Maarten Koning ervaart de maatschappij waarin hij een plaats moet vinden als bedreigend en past zich moeilijk aan. Dat scherpt zijn blik voor zijn eigen tekortkomingen en die van zijn collega's. In zijn ogen is de wereld waarin zij leven een schijnwereld, waarin mensen hun behoefte aan aandacht, erkenning of macht verbergen achter, schijnbaar zinvolle, maar in werkelijkheid zinloze werkzaamheden. Deze verborgen behoeften van mensen die elkaar niet hebben uitgezocht maar wel dag in dag uit met elkaar moeten verkeren, zijn aanleiding tot talloze wrijvingen en spanningen, een enkele maal met een tragische afloop, maar meestal komisch.

    Meneer Beerta beschrijft de jaren tussen 1957 en 1965 en eindigt met de pensionering van Beerta als directeur. Maarten heeft hem in zijn studietijd leren kennen als een beminnelijke scepticus en dat trekt hem aan. Van het geïdealiseerde beeld dat hij van hem heeft zal in de loop van het boek weinig overblijven, al verliest hij zijn sympathie niet. Tegelijkertijd is de lezer getuige van zijn vergeefse pogingen bondgenoten te zoeken in zijn afkeer van de in zijn ogen loze pretenties van de mensen waartussen hij terecht is gekomen.

  • In dit derde deel van Het Bureau, Plankton, neemt de druk op Maarten Koning om zijn proefschrift te schrijven toe, zoals ook van hem en zijn afdeling verlangd wordt om meer in de openbaarheid te treden, twee zaken waarvoor hij allergisch is. In weerwil van de bezuinigingsmaatregelen die volgen op de oliecrisis van 1974 breidt de bezetting van het Bureau zich nog steeds uit en wordt de koffieruimte steeds meer een ontmoetingsplaats.

    Met pijn en moeite komt Maarten Koning tot het inzicht dat het werk op het Bureau het grootste deel van zijn leven vult en dat er onherroepelijk een ogenblik zal komen waarop hij daarvoor verantwoording zal moeten afleggen, al was het alleen maar tegenover zichzelf. Hij vecht de bestaande ideeën over het vak aan en steekt met name ook tijdens internationale congressen zijn afkeer van macht en loze pretenties niet onder stoelen of banken. Dat maakt hem ongewild tot hoofdrolspeler in een reeks confrontaties. Plankton eindigt dramatisch.

    Voskuil ontving voor dit deel de Libris Literatuurprijs 1998. Daarnaast ontving hij de Prix des Ambassadeurs.

empty