Leopold

  • De naam van mijn vader

    Rindert Kromhout

    • Leopold
    • 4 November 2020

    `Ik wil weten of er nog iets van het verleden over is. Van mijn verleden.'
    1945. Klaus Mann reist als journalist door het naoorlogse Europa. Voor het eerst sinds jaren gaat hij terug naar zijn vaderland Duitsland. Hoe zal hij zijn thuisland en zijn landgenoten aantreffen? Wat is er allemaal veranderd door de oorlog? En hoe is hijzelf veranderd door alles wat hij heeft meegemaakt?
    Op knappe wijze brengt Rindert Kromhout de geschiedenis (de Tweede Wereldoorlog) en de actualiteit (vluchtelingen die zich nergens meer thuis voelen) samen in een meeslepende roman, beschreven door de ogen van de schrijver Klaus Mann. Net als in zijn Bloomsbury-trilogie (bekroond met de Gouden Lijst, Thea Beckmanprijs, genomineerd voor de Deutscher Jugendliteraturpreis) brengt Kromhout een beroemde (schrijvers)familie tot leven.

  • Een Mann

    Rindert Kromhout

    • Leopold
    • 15 November 2016

    `Iemand zoals jij, Klaus, zal nooit in de schaduw van een ander staan.' Klaus Mann, negentien jaar oud, denkt daar zelf behoorlijk anders over. Dat zijn prille schrijverschap voorlopig in de schaduw staat van zijn beroemde vader Thomas Mann, is tot daaraan toe. Maar waarom wijst Thomas hem als zoon, als mens af? Wat doet Klaus verkeerd? Een gesprek met zijn vader durft hij niet aan. Hij besluit hem een brief te schrijven, een openhartige, confronterende brief. De brief groeit uit tot een aangrijpende roman over een welgestelde familie van schrijvers en toneelspelers in het onrustige München aan het begin van de twintigste eeuw. Maar wie staat er nu eigenlijk in de schaduw van wie?
    Een Mann is een op feiten en bestaande personen gebaseerde vertelling en het eerste, zelfstandig te lezen deel van een trilogie. 'Een hartstochtelijke ode aan de literatuur.' Het Parool
    Eerder schreef Rindert Kromhout Soldaten huilen niet, April is de wreedste maand en Vertel me wie wij waren. In deze meervoudig bekroonde trilogie over de Bloomsbury Groep staat een bonte verzameling kunstenaars in Engeland in de eerste helft van de vorige eeuw centraal, onder wie de schrijfster Virginia Woolf en de schilderes Vanessa Bell.

  • Ik staarde naar de brief in mijn handen.
    Ik moest beslissen hoever ik zou gaan om mijn broer te redden.
    Het antwoord kwam snel: zo ver als nodig was.
    Mira is op de vlucht. Ze heeft geleerd te overleven en niemand te vertrouwen. Ze meldt zich aan voor The Glittering Court, waar meisjes van lage komaf worden opgeleid tot nette jongedames, klaar om te trouwen. Mira heeft andere plannen. Ze wil de oversteek wagen naar Adoria, op zoek naar haar verdwenen broer.
    Waar begin je met zoeken in een onbekend land vol gevaren en geheimen? En wat doe je als je verliefd wordt, juist wanneer je geen afleiding kunt gebruiken?

  • Deze roman uit het soldatenleven is zo langzamerhand klassiek geworden. In de jaren dertig werd er al een film van gemaakt en nu werd het verhaal voor de TV bewerkt. Wie kent ze niet: DAANTJE, de schutterige, provinciale gruttersjongen voor wie de militaire dienst meteen een kennismaking met de grote stad betekent. Hij stort zich dan ook hals over kop in een liefdeshistorie met de knappe BETSY, beslist niet zo naïef, die Daantje luchthartig om haar - welgevormde - vingertje windt. Gelukkig is er slapie TOONTJE om Daan in bescherming te nemen. Toontje kent het leven en weet moeilijke situaties met humor op te lossen, intussen zichzelf beslist niet vergetend.

  • 'Er zijn geen echte gekken meer op Capri, alleen nog maar namaak-gekken,' zei Castello, de Caprese schilder, tegen Johan Fabricius toen ze elkaar een paar jaar geleden terugzagen...
    Fabricius heeft van deze echte gekken nog een aantal gekend en vertelt in dit boek over hen.
    Over Markiezin Casati, eens een beroemde Parijse schoonheid, geliefde van d'Annunzio, inspiratrice van de eerste surrealisten;
    Over Mario Cottrau wiens grootvader nog de hand van Marie Antoinette kuste:
    Over Italiaanse prinsen met historische namen;
    Over puissant rijke Amerikaanse vrouwen met hun ongewone zorgen.
    Johan Fabricius roept een Capri voor ons op zoals het in de loop der eeuwen was, zoals het is en zoals het altijd zal zijn: een vreemd betoverd eiland met wonderlijke habitués.

  • Weet je nog, Yoshi?

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 19 Maart 2013

    Fabricius, ijverig globe-trotter, als kind al vertrouwd met de wereld van het verre Oosten, vertelt in deze fijnzinnige liefdesroman over Japan en het moderne Japanse meisje Yoshi. Zijn boek speelt in het jaar voor de Olympische Spelen, in 1963 dus, toen de auteur voor de derde maal een tijd lang door het Land van de Rijzende Zon rondzwierf, maar hij blikt ook terug op de vooroorlogse dagen en op de barre winter onmiddellijk na Hiroshima.
    'Weet je nog, Yoshi?' is een verhaal vol sfeer. Wij maken het kinderfeest 'Shichi-go-san' mee, wanneer al de mooie oude kimono's weer voor de dag komen; wij dwalen door het tempelwoud van Nikki met z'n duistere coniferen, door de Tokio'se vermaakswijk. Asakusa met z'n kabuki- en strip-tease theatertjes, door het quartier latin van de Japanse hoofdstad, waar studenten en artiesten in halfdonkere 'coffe-shops' naar Bach en Beethoven luisteren.
    Fabricius voert ons met evenveel humor als kennis van zaken een theehuis binnen in het op last van MacArthur opgeheven en voor altijd verdwenen Yoshiwara, Tokio's liefdeswijk.
    Tegen deze verrukkelijke achtergrond van pikant beschreven Japanse folklore en het gestyleerde Japanse landschap speelt zich een ydille tussen oost en west af. Wij komen in kleine Japanse hotels, 'ryokan' geheten, waar nog in paradijselijke onschuld het familiebad wordt genomen en waar de liefde, hoe klandestien ook, een ontwapenend huiselijk, vertrouwd en zedig karakter krijgt. Fabricius geeft ons, verweven met het liefdesthema dat zijn boek beheerst, een beeld van de geweldige sociale omwenteling die op de verloren oorlog is gevolgd, de tragische kanten aan het elkaar-niet-meer-verstaan tussen oud en jong. En bij alle verwestersing van het om zijn assimilatievermogen vermaarde Japan, blijkt weer dat oost en west twéé werelden zijn...

  • Flipje

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    "Terwijl ik in gedachten door het venster naar buiten keek, zag ik mijn vijfjarig zoontje over het houten tuinhek liggen. Hij was stout geweest, mocht dien middag niet de straat op en onderhield van daarboven op het hek een conversatie met de kinderen en de oudere dames die voorbij gingen.
    Het woei herfstachtig; een paar vriendjes zwierden in een zeilwagen voorbij, en ik had meelij met hem, omdat ik de temptatie kon meevoelen. Even later klink uit de verte hoornmuziek en gezang van het Leger des Heils - en nu lag mijn zoontje niet meer op het hek: hij was verdwenen, met zijn onafscheidelijk step. Het dienstmeisje werd er op uitgestuurd om hem te zoeken... en ik schreef het eerste hoofdstuk van een boek dat over de romantische lotgevallen van Flipje handelt. Toen hij weer thuiskwam, was hij in mijn boek reeds ver van huis en zoekgeraakt. Ik herleefde zelf nog eens weer den tijd waarin Sinterklaas nog een heilige van onaangetast gezag is en Zwarte Piet de duistere belichaming van het Schuldbewustzijn. Ik herleefde een zomervacantie zooals ik ze als kind zelf doormaakte. Ik gaf Flipje vriendjes en vriendinnetjes, ik gaf hem het meisje waar zijn kleine hart reeds naar uitgaat; ik gaf hem een neefje, dat - sterker dan hij - hem telkens op hinderlijke wijze dit "sterker-zijn" laat voelen. Ik gaf hem als machtige beschermers zijn vader, Aagje, het nieuwe dienstmeisje, Toon den Groenteboer, Gerrit den slagersjongen; ik liet juffrouw Uyttenbroek vinnig op Flipjes ballen loeren, die nu en dan per ongeluk in haar tuin terechtkwamen.
    Ik schiep ook een gevaar voor Flipjes vader: de verleidelijke mevrouw Harinxma, die in dezelfde straat woont en ditmaal was het Flipje, die zijn vader wist te beschermen.
    Het boek dat uit dit alles ontstond is nauwelijks een roman, maar misschien kan het een glimlach schenken aan allen, die zich nog herinneren dat zij zelf eens klein waren en andere problemen, andere vreugden en andere smarten hadden."

  • Schimmenspel

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    In deze roman plaatst Fabricius niet slechts Oost tegenover West, gelijk hij dit in Setoewo, de Tijger deed, maar ook en vooral het nieuwe Indonesië tegenover de oude, stijlvolle wereld van overerfde traditie en cultuur zoals deze, geheimzinnig gesloten voor de buitenstaander, nog voortleefde aan de Javaanse vorstenhoven, met hun gamelanspel en wajang-voorstellingen, hun verfijnde dansen. Reeds in haar laatste nabloei, had deze wereld niet meer de kracht zich te handhaven in de grote omwenteling der tijden. De auteur belichaamt dit stille drama in de figuur van Raden Mas Koesoemo, de kraton-danser, die voor de oorlog triomfen vierde in de Europese hoofdsteden - en in zijn in die tijd uit een Nederlandse vrouw geboren zoon Widjojo, die, in Holland opgroeiend onder de hoede van zijn moeder, zijn onstuimige jongensverbeelding de vrije teugel laat en zich zijn vader, over wie hij zoveel gehoord heeft, als een van glorie omgeven held voorstelt daar in de Kraton, heerlijke droomwereld van oosterse cultuur. Dat deze droomwereld ten ondergang gedoemd is in een republikeinse staat, dringt niet tot Widjojo door, die, zoon van een Javaan, vuur en vlam is voor het Javaanse nationalisme en voor het nieuwe, vrije Indonesië.
    De onvermijdelijke ontgoocheling komt pas wanneer hij, na zijn studies in Nederland beëindigd te hebben, zijn ten val gebrachte, oud en arm geworden vader gaat bezoeken daar in het verre land, dat hij voor het eerst met eigen ogen aanschouwt. Waar staat hij nu? Waar behoort hij thuis?
    Schimmelspel heet dit boek. De vader is voor de zoon een schim geweest, de zoon voor de vader. Zij zijn aan elkaar voorbij gegleden als de schaduwen op het zwakverlichte scherm van de "dalang", de wajang-speler, die de poppen in zijn handen doet bewegen en de schone ouder verhalen uit Java's ver verleden vertelt.

  • Hotel Vesuvius

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 30 Mei 2013

    Deze luchtige, ietwat satirische roman speelt zich of op het schone eiland Capri, aan de vooravond van de tweede wereldoorlog. De hoofdpersoon is een "verkeerde" jonge Italiaan, Renato Colleoni, die in Hotel Vesuvius op de pof leeft. Hij is fascist, paradeert altijd in de uniform van de partij, doch bezit jammer genoeg voor hem maar een mooi zwart hemd dat hij eens in de veertien dagen wast; hij komt dan niet op straat voordat het droog is. Zijn uniform en partijlidmaatschap dienen hem alleen om de vrouwelijke elementen van de Kraft-durch-Freude toeristen, die het eiland overstromen, in de ban van zijn mannelijke bekoring te brengen. Tot zijn vurige bewonderaarsters behoort ook het slonzige maar goede kamermeisje Nenella, dat hem altijd van zakgeld voorziet en dan zelf platzak is. Rondom deze kleine intrigant beweegt zich een aantal boeiende en merkwaardige figuren: een duitse balling; een schotse kunstschilder; een ezeljongen die verliefd is op Nenella; een belastingbeambte met twaalf kinderen; een postbode die de fascisten op de castor-olie kuur hebben getracteerd, en lest best een portret van Hitler. Achter dit alles hangt de schaduw van dreigende internationale verwikkelingen, waarvan de meeste Italianen echter geen besef hebben. De eenvoudige lieden uit dit boek horen wel de bezeten stemmen van Hitler en Mussolini, maar ze halen hun schouders op, dapper hun best doende om een eerlijke boterham te verdienen, en verbitterd over die bemoeials in Rome, al durven ze daar niet dikwijls voor uit te komen.

  • In een oud smal Amsterdams huis woont een uiteenlopend groepje mensen bijeen: Nel, die beneden een sigarenwinkeltje heeft, haar niet meer jeugdige commensaal Hein, met een wat pijnlijk verleden, een jonge graficus Stan, een keurige juffrouw De Booij, die een bemiddelingsbureautje houdt en - op de zolderverdieping - nog een hard blokkende student.
    Geleidelijk-aan wordt het geheim ontrafeld van een bij de Magere Brug - een steenworp van het huis - opgeviste dode. Weet Hein daar meer van? Het is zijn voorrecht geweest bijna als een liefhebbende vrouw te mogen zorgen voor de door hem vereerde jonge kunstenaar Stan. Tot er een indringer kwam die zijn bescheiden, moeizaam veroverd geluk verstoorde.
    Elk van de figuren uit dit boek belichaamt een grote of kleine menselijke tragedie. Zoals Hein teleurgesteld wordt in zijn - onbewuste - homofiele gevoelens voor Stan, zo is Nel het in haar zwoele verlangen naar Hein, die onmachtig is om een vrouw gelukkig te maken. Ook Stan is op zijn wijze teleurgesteld: hij worstelt vergeefs tegen snobistische stromingen in de moderne kunst.
    Dit is een meedogend boek dat zich laat lezen als een thriller: het heeft de spanning ervan.

  • Johan Fabricius heeft heel wat afgezworven in zijn lange leven. In de herfst van 1945 bracht hij samen met de Sultan van Ternate de mare van de bevrijding en van de onvermijdelijke democratie aan de nog argeloze bewoners van de noordelijke Molukken, In het voorjaar van 1946 vertelde Generaal Mac' Arthur hem dat de Nederlanders het in hun oude kolonie helemaal verkeerd hadden aangepakt.
    In Port Lligat vertrouwde Salvador Dalí hem toe dat hij zich met zijn geliefde Gala zou laten invriezen om na 1000 jaren weer op te staan en nieuwe sensationele schilderijen over een verbijsterde wereld uit te storten. Fabricius bericht over de heilige stad Kairoeaan, waar een arische domineesvrouw uit Hitlers Derde Rijk geconfronteerd wordt met een verontrustend voorbeeld van rassenschande. Tijdens de revolutiedagen op Java bevrijdt hij, gesteund door 2 collega-oorlogscorrespondenten en 90 Ghurka's een belegerd Christendorp; later vist hij forellen in een synthetisch Hollywoods meer; een halve eeuw vroeger ziet hij de dikke koning Foead, vader van de nog dikkere Farouk, in een rijtuig met acht sneeuwwitte schimmels voorbijrijden; daar tussendoor valt hij tijdens een beroemd/berucht PEN-congres in Dubrovnik in ongenade bij Herr Doktor Josef Goebbels.
    Hij duikt in een Japans gemengd bad en is er bij als Java's Japanse opperbevelhebber Yuichiro Nagano in uiterste verlegenheid zijn eeuwenoude samoerai-zwaard loshaakt om het aan de geallieerde overwinnaars af te geven. Hij laat ons kennismaken met Neanderthalers en de geboorte van de kunsten en volbrengt - zij het niet op de schaats - de laatste roemrijke Elfstedentoch; wanneer was dat?

  • Uit een familie-album

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 19 Maart 2013

    De Fabricius-fans hebben al wel eens eerder kennisgemaakt met zijn roemruchte "Oom Pietje", de grote visser uit de familie, en zijn "Tante Grietje", die zich van haar huwelijksnacht zoveel meer had voorgesteld dan haar deel zou worden. Deze keer echter verdiept hij zich ook in de huwelijksperikelen van zijn nichtje Jóchie, naar wier warme mezzo-sopraan de mensen op straat bleven luisteren, maar die het met de liefde ook niet zo trof en, ten einde raad, haar man Roelof Bulders aan een vuurproef onderwierp: een bedwelmend geurend hyacinthenveld, stralend in de lentezon en gestreeld door een verkwikkende zeebries, zou het slagveld worden waarop hij zijn minnevuur moest bewijzen.
    Deze nieuwe bladzijde uit Fabricius' "familie-album" sluit zich in haar lichte humoristische en soms vertederende vorm aan bij het recente "De hoed met de struisveer" waarin hij vertelt hoe zijn moeder - in 1894 - als "handschoentje" naar Indië reisde, waar haar man stond te trappelen om haar in zijn armen te sluiten. En hoe het tijdens de stormachtige ontmoeting haar hoed met de struisveer, een waar pronkjuweel, verging.

  • Kasteel in Karinthie

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    Deze grote familieroman speelt zich af op een oud kasteel in de verlatenheid der Karinthische bossen. De lotgevallen der hoofdpersonen, allen leden van een oud adellijk geslacht, worden geschilderd tegen de achtergrond van de dramatische gebeurtenissen in de wereld tot na het einde van de eerste wereldoorlog, dat ook het einde was van de vroegere Donaumonarchie.
    Alg. Handelsblad: Telkens weer wordt de lezer door boeiende beschrijvingen en door zuivere karaktertekening en gevoelsontleding in spanning gebracht. En hij volgt de wederwaardigheden der voornaamste figuren als behoorden zij tot de kring zijner vrienden.
    Johan Fabricius over het ontstaan van dit boek: "Een bezoek aan het diep in de bossen verscholen slot Drasing, waar wij een dag waren uitgenodigd, legde de kiem voor het Oostenrijkse familieverhaal 'Kasteel in Karinthië'. Bij het schrijven van deze roman heb ik steeds Schloz Drasing voor ogen gehad, met z'n zware muren en grote sombere vertrekken, z'n Romaanse bogengang rondom de binnenhof, z'n rusteloos rondfladderende rumoerige kraaien en roeken. Ik zei tegen mijn vrouw: "Hier zet ik een oud-Oostenrijks gezin neer en laat ik kinderen opgroeien. Tegen dat ze volwassen zijn, komt de oorlog en de evolutie."
    Mijn vrouw moest lachen, omdat zij merkte dat ik fictie en werkelijkheid al nauwelijks meer wist te onderscheiden. Zo ontstond het gezin van de oud-majoor Von Weygand, uit wiens late huwelijk nog vijf kinderen werden geboren. Hun levenslot zou door een dramatisch brok Oostenrijkse geschiedenis worden beheerst. (Uit 'Mijn huis staat achter de kim').

  • Nacht zonder zegen

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 14 Maart 2013

    In Nacht zonder zegen is een geheel nieuwe Fabricius aan het woord. Reeds de achtergrond van deze roman verschilt van die welke wij van hem kennen: het boek speelt in het na-oorlogse Londen de stad, die hem na een verblijf van vele jaren vertrouwd en lief geworden is. Het wel zeer précaire thema sexuele criminologie is met zoveel menselijk begrip en mededogen behandeld, dat al het moedwillig sensationele eraan ontnomen werd; men kan slechts medelijden gevoelen met de gewezen postbeambte Alfred latimer, die, na een vreugdeloze jeugd, uit zwakte en argeloosheid een huwelijk aangaat dat tot een hel wordt, en die, tijdens de Londense bombardementen tot weduwnaar geworden, vreemde en duistere instincten in zich ontdekt. Is hij erfelijk belast, zoals hij zelf meent, of heeft Elsie, zijn gestorven vrouw, hem een obsessie als erfenis nagelaten? Zeker is, dat zijn dwanggedachte hem ten val brengt, tezamen met Gwen, het straatmeisje dat hij in een van de duistere lanen van het avondlijke Hyde Park leert kennen.
    Een grote figuur in dit boek is Mavis, een reeds oudere volksvrouw, die, als zij door de kracht harer liefde voor hem zijn geheim doorgrondt, hem nog tegen zichzelf tracht te beschermen. Zij is grootmoedig bereid zich daartoe zelf ten offer te brengen, maar Alfred Latimer blijkt niet meer te redden.
    Als steeds bij Fabricius, rijzen in deze roman mensengestalten op, die ons bijblijven; maar daarnaast leren wij een on-conventioneel Londen kennen: het Londen niet slechts van Oxford Street, Paddington Station en Piccadilly, maar dat van de kleine man, zoals hij dooreenkrioelt in deze milioenenstad en zijn goedkope en simpele genoegens zoekt in de pub, bij de zeepkistredenaars van Marble Arch en bij de dog races van White City.

  • Toontje poland

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    Avonturenverhaal vol kleur en spanning over de belevenissen van Toontje die, elf jaar oud, van huis wegloopt. Voor hij het weet zit hij op de Koninklijke Kwekelingenschool in Den Haag, waar wezen en jongens uit armenhuizen worden geloosd om te worden opgefokt tot soldaten van koning Lodewijk. Het zal je maar overkomen! Daar blijft het trouwens niet bij, want na de inlijving van Nederland bij Frankrijk komt Toontje bij de Franse vloot terecht. Die ligt voor Vlissingen vergeefs te popelen om in opdracht van Napoleon Engeland binnen te vallen. Gelukkig heeft Toontje zijn vrienden Klaas en Hein.

  • Natuurlijk zijn het gesprekken met God, deze grijze gesprekken. Er moet toch iemand zijn waartegen je kunt spreken als de oren die in de loop van je lange leven geluisterd hebben, wegvallen. Iemand aan wie je je angsten, hoop, kleine vreugden en zorgen kunt vertellen. Iemand bij wie je kunt biechten wat geen ander mag weten en die je zelfspot begrijpt.
    Deze gesprekken werden `afgeluisterd' door Clara Asscher-Pinkhof. Ze getuigen van de wijsheid van de schrijfster die zoveel in haar lange leven meemaakte.

  • Jeugdherinneringen uit Assen aan het einde van de 19e eeuw. Goed geschreven beeld van een provinciestadje en een opgroeiende jongen, met twaalf ambachten en dertien ongelukken. Veel Drentse nostalgie en informatie over gebruiken, gewoonten en bewoners van de hoofdstad Assen.

    Citaat: 'Toen de volgende dag het bedrog ontdekt werd, knarsetandde mijn vader. Dat was niet erg. Dat was alleen maar woede. Maar moeder schreide. Dat was erger.'

  • Het neutrale Holland van 1917 - '18 benauwde de toen 18-jarige Johan Fabricius, hij wilde zien wat zich buiten die zo veilige grenzen afspeelde. Het gelukte hem als 'Kriegsmaler' te worden ingelijfd bij een Oostenrijks regiment, het 2de Bosnisch-Herzegowinische Infanterie-regiment dat op de Fontana Secca in de Venetiaanse Alpen in stelling lag.
    Een uniek boek, want welke andere Nederlandse auteur heeft in Wereldoorlog I een brok leven in de loopgraven meegemaakt en kan daar nu, na bijna zestig jaar, nog over vertellen?

  • De kop van Jut

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    In een decembernacht van het jaar 1872 werd de oude mevrouw Van der Kouwen met haar dienstbode Helena Beeloo "op gruwelijke wijze van het leven beroofd". Het ging om het geld van de rijke oude dame, dat zij onverstandigerwijs niet op de Bank had gezet. De dubbele moord speelde zich af in haar huis aan de Haagse "Bogt van Guinee", later op verzoek van de bewoners in "Huygensplein" omgedoopt, om op die wijze de smet van de naam uit de wissen.
    Het is in onze aan gruwelstukken gewend geraakte tijd moeilijk, ons een voorstelling te vormen van het effect dat deze moord had. "Een rilling voer door het gansche land." De gegoede burgers lieten hun deuren van nieuwe sloten voorzien; men besprak het geval tot in den treure; somnambules werden geraadpleegd, tafeldans werd druk beoefend in de hoop dat de geest van de vermoorde dame zich zou manifesteren. Het baatte alles niet en maandenlang wilde de angst-psychose niet wijken. Koning Willem III liet de wacht voor het paleis Noordeinde verdubbelen en de lakeien met revolvers bewapenen.
    Op Hendrik Jacobus Jut, kelner in het nu sedert lang verdwenen Pico-hotel aan het Haagse Spui viel aanvankelijk geen verdenking. Hij kreeg de kans om met zijn vriendin, Christina Goedvolk, naar het buitenland te vluchten.
    Na enige tijd hulpeloos in Amerika te hebben rondgedoold, dreef heimwee hem terug naar het vaderland, waar Jut door het te breed te laten hangen al gauw verdenking wekte. Hij werd gearresteerd en viel door de mand.
    Zijn proces wekte voldoende opschudding om het noodzakelijk te maken dat de "bovenwagen", waarin men hem en Christina naar het gerechtshof reed, door een cavalerie werd geëscorteerd. Jut nam alle schuld op zich, hoewel Christina bij de moord aanwezig was geweest en dus medeplichtig. Hij kreeg levenslang en stierf al snel in de gevangenis; zijn kwalijke roem leefde voort in straatliederen en in "de kop van Jut" van de kermissen waarop iedere rechtschapen burger tot op de huidige dag de kracht van zijn arm mag beproeven.
    Christina werd tot twaalf jaar veroordeeld. Toen zij het tuchthuis verliet, zocht zij vergeefs naar een dienst: niemand durfde "die vrouw" in huis te nemen.
    De roman De kop van Jut is een vrije bewerking van dit volksdrama. Enkele namen zijn door de auteur behouden, al zou het maar zijn om de schilderachtige klank ervan, zoals die van de koopvrouw Mie Slap, die, toen zij voor de rechtbank de eed moest afleggen, twee grijpgrage vingers omhoog stak en zei: "Zo waarlijk helpe mij God Almachtig en de moordenaars aan de galg."
    Tot haar verdriet en dat van de meerderheid van het Nederlandse Volk was de doodstraf kort tevoren afgeschaft.

  • Dipanegara

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 15 Augustus 2013

    Dipanegara, de historische vrijheidsheld van het Indonesische volk, is wel een Javaanse Hamlet genoemd, omdat hij, gelijk de Prins van Elsinör, lang met zichzelf streed voor hij tot het besluit kwam dat zijn geweten van hem eiste. Hij was een meditatieve, introverte, van geweld afkerige natuur, die zich zijn grote taak tenslotte door omstandigheden van buitenaf liet opdringen en zich in zijn bijna vijfjarige strijd tegen de Nederlandse overheersers van zijn land liet leiden en voorwaarts drijven door fanatieke geloofsijveraars als Kjahi, Madja en doortastende legeraanvoerders als Prawiradirdja, vermaard geworden onder de naam Sentot.
    De oorlog, die van juli 1825 tot maart 1830 duurde, heeft het volk van Java onbeschrijflijke ellende gebracht en ook Nederland stromen bloed gekost. Daarover gaat dit boek.
    Wij slaan ons om ons koloniaal verleden niet meer zo fier op de vaderlandse borst als onze vaderen dat nog tot voor kort deden. Wat na anderhalve eeuw van de 'Dipanegara-oorlog' overblijft is de wrange herinnering aan een bloedige episode uit dat koloniale verleden. Van Nederlandse zijde is een hoge prijs betaald voor opvattingen die later hartstochtelijk verguisd zouden worden. Om plaats te maken voor nieuwe opvattingen die misschien ook weer eens veroordeeld zullen worden, als het vuur gedoofd en tot as vergrijsd is.

  • Jan Greshoff in Het Vaderland: Wij zien hier de man Fabricius, pas in Indië, voor onze ogen leven. Alle voorvallen worden met zulk een overtuiging, zulk een plezier in het herdenken, zulk een oprechtheid, zulk een warmte verteld, dat wij er geheel in opgaan.
    De Nieuwe Eeuw: Openhartig, vlot verteld, gekruid met humor, vormen deze schetsen een geestdriftig pleidooi voor wat door Nederlanders ten bate van Indië werd verricht.
    Nederlandse Bibliografie: Tempo doeloe is een eerlijk boek over leven en werken in wat wel Neerlands schoonste schepping werd genoemd; het bezit documentaire waarde.
    Wereldkroniek: In Tempo doeloe is een waarlijk groot Nederlander aan het woord, die door zijn persoonlijkheid ver boven alle politiek verheven is.
    Vrouwenpost: De grootste charme van deze herinneringen is de soms weemoedige, soms sprankelende humor, die iedere scene doortrekt.
    Nieuwsblad voor Sumatra: Waar zo het geluk en de vreugde overheersten, kan de toon van dit boek vol herinneringen uit "de goeie ouwe tijd" dan ook weinig anders dan in hoofdzaak blijmoedig en gezellig zijn.

  • Fabricius, die nu de vijftig gepasseerd is, heeft een buitengewoon boeiend en onconventioneel leven geleid; en leidt dat tot op zekere hoogte nog. Het begon er al mee dat hij nooit geruime tijd achtereen dezelfde school heeft bezocht: gevolgd van het feit dat zijn ouders nu eens op Java, dan weer in Parijs of ook wel in Holland woonden. Toen hij in Parijs was wilde hij kunstschilder worden. Hij ging naar de Haagse Academie, maar bleef daar niet lang, want al spoedig bekroop hem de lust als oorlogstekenaar de fronten te bezoeken - de eerste wereldoorlog was aan de gang. Hij kreeg toestemming van de toenmalige Oostenrijkse regering en vertrok naar het Italiaans-Oostenrijkse front. Hij tekende daar niet alleen, hij schreef ook brieven naar huis, en zijn vader, de bekende toneelschrijver Jan Fabricius, liet ze lezen aan Johan de Meester, destijds redacteur van De Gids. Deze plaatste er een paar van: de eerste stappen op een literaire loopbaan waren gezet. Voorlopig kwam er echter van boekenschrijven niets. Fabricius bleef tekenen, raakte onder de bekoring van de muziek, en heeft zelfs in die dagen op de planken gestaan. Toen brak de tijd van reizen aan, die op zijn schrijverschap zeer bevruchtend heeft gewerkt. Zijn thans alom bekende romans gingen verschijnen. Charlotte's grote reis, Mario Ferraro's ijdelde liefde, later Komedianten trokken voorbij.
    In zijn memoires, een ernstig woord voor zulk een levenskunstenaar die er daarom het bijvoeglijk naamwoord "vrijmoedige" maar aan heeft toegevoegd, vertelt hij nu van zijn belevenissen in aller heren landen, en brengt hij ons in kennis met de vele boeiende en merkwaardige figuren op allerlei levensgebieden die hij heeft ontmoet. Het is een kostelijk boek geworden. Voortreffelijk geschreven, natuurlijk, maar ook door zijn inhoud verrassend. Zo'n leven te hebben geleid en er zó over weten te vertellen! Fabricius, die het oude adagium van Molière: plaire au public, tot het zijne heeft gemaakt, overlaadt zijn boek niet met kleine bijzonderheden over zichzelf en wie hem na staan. In feite praat hij heel weinig over zichzelf. Hij herschept de toverachtige wereld, waarin hij heeft rondgedoold, die zijn wereld was, waarin hij vaak medespeler, vaak ook geamuseerd toeschouwer is geweest. Dit boek is even onderhoudend als zijn beste roman. Dat hij als romancier nog dikwijls terugdenkt aan zijn eerste liefde, de tekenstift, en het niet bij denken laat, bewijzen de vele tekeningen, het zijn er 130, waarmee hij zijn boek heeft verlucht. Ook de stofomslag is eigen ontwerp.

  • Barcarolle

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    Beschrijving van een verhouding tussen een jonge Nederlander met een Weense reisleidster, met op de achtergrond veel wetenswaardigheden van Venetië.

  • De koopbrief

    Clara Asscher-Pinkhof

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    Joseph Prager, een begaafde joodse jongen uit een arm gezin, krijgt de kans om medicijnen te studeren. In de luidruchtige en ambitieuze studentenwereld is hij een buitenbeentje, evenals in de kringen van Dina, het meisje dat zijn vrouw zal worden. Dat deert hem echter niet. Zijn idealisme maakt dat hij naar Palestina gaat om daar mee te werken aan de opbouw van een eigen staat voor zijn geloofsgenoten. Hij laat zijn bloeiende artsenpraktijk daarvoor in de steek.

empty