• She was officially classified as a submarine hunter (onderzeebootjager), but was so close to contemporary destroyers in terms of her specifications that both allies and potential opponents of the Netherlands used this designation. Friesland served in the Navy for more than 20 years and took part in a number of important diplomatic missions.

  • In twee delen beschrijft "Dienen in nood" 55 jaar historie van de Search and Rescue (SAR) helikoptereenheid van de Koninklijke Luchtmacht, waarin is geprobeerd historische feiten, persoonlijke belevenissen, achtergronden en gevoelens weer te geven van de vliegende luchtmacht redders, die, de ene keer in de bekendheid de andere keer in anonimiteit, soms hun leven in de waagschaal stelden om dat van anderen te redden. Niets bijzonders maar wel erg dankbaar werk, hebben de oud-leden, van dit inmiddels per 1 januari 2015 opgeheven, unieke luchtmachtonderdeel, zelf gevonden.



    Dit eerste (Alouette) deel van "Dienen in nood" is een hernieuwde uitgave van "Boven de Wadden, dag en nacht..." dat in 2003 werd uitgegeven door Sectie Luchtmachthistorie (nu aangevuld met nog niet eerder gepubliceerde foto's en illustraties!) en
    gaat over de periode 1959-1994, verdeeld in een drietal episodes.
    In de Periode Ypenburg komt de omscholing, oprichting en operationeel worden met de Alouette II, de Nieuw-Guinea periode, de invoering van de Alouette III en het begin van het patiëntenvervoer aan bod.
    In de Periode Soesterberg komt duidelijk het volwassen worden en de niet alleen routinematige, maar ook fantastische tijd waarin alles kon tijdens de stand-by weken op Terschelling aan de orde. In deze periode werden enkele spectaculaire reddingen verricht. In de Eerste Periode Leeuwarden ligt het accent op de eerste gewenningsjaren in Friesland, waarbij de inkrimping van personeel als gevolg van bezuinigingen een belangrijke rol speelt en eindigt met de aanloop naar de invoering van de Agusta Bell 412.
    De gehele, chronologische beschreven historie (in beide delen) is afgewisseld met flashbacks, belevenissen of gebeurtenissen van dat moment! Bij het schrijven is er van uitgegaan dat dit boek niet alleen voor (oud) SAR-mensen of insiders is bedoeld, maar zeker ook voor belangstellenden, geïnteresseerden of anderen, die niet of nauwelijks bekend zijn met de SAR-wereld. Daarom is getracht zo weinig mogelijk vakjargon te gebruiken en waar dit wel het geval is, is een en ander verklaard. Tevens is achter in het boek een lijst met verklaringen van de gebruikte afkortingen opgenomen. Ook is bewust uitgebreid op diverse achtergronden ingegaan, om een zo goed mogelijk beeld van de (werk)sfeer en omstandigheden weer te geven.
    Treffend is de wapenspreuk onder het onderdeel embleem "SERVANS IN PERICULO", hetgeen vrij vertaald betekent "Dienen in nood". En dat hebben de mannen en vrouwen die deel uitmaakten van dit bijzondere onderdeel dan ook gedaan, ruim 55 jaar...

    Schrijver en samensteller Pieter. L. Schram was van 1985 tot en met 2003 boordmonteur-redder en hoistoperator bij de SAR-eenheid. Het was daarom onvermijdelijk dat deze periode deels autobiografisch is geworden

  • Met de aanschaf van twee F-35A Lightning II testmachines - later gevolgd door 35 seriemachines - is Nederland in het bezit gekomen van een geavanceerde straaljager. Bij velen nog steeds beter bekend als de JSF - de 'Joint Strike Fighter'. Zo kan de vlieger van de F-35 met een speciale vliegerhelm door middel van zes infraroodcamera's 'door de bodem' naar de grond kijken en op een 'touch screen' in de cockpit alle gewenste tactische informatie razend snel oproepen. Helaas gaat de ontwikkeling van de F-35 door de vele technische hoogstandjes wel gepaard met grote vertragingen en enorme kostenoverschrijdingen. Daarom wordt dit als een vliegende internetserver te beschouwen platform ook door critici gehaat, doch de vliegers zijn unaniem in hun nopjes met de nieuwe aanwinst.

    In het rijkelijk geïllustreerde boek wordt gedetailleerd ingegaan op de lange voorgeschiedenis, de moeizame ontwikkeling, bouw en de vliegtesten. De drie operationele modellen, komen uitvoerig aan de orde. Ook wordt aandacht besteed aan de bijzondere bijdrage van Nederland aan de ontwikkeling van deze peperdure 'stealth'-jager.

  • In 1974 besloten Frankrijk, België en Nederland een nieuw type mijnenjager te bouwen: de Tripartite. Een vorm van Europese samenwerking die vaak als voorbeeld wordt aangehaald. Gebouwd van polyester en voorzien van de nieuwste Franse sonar bleken de schepen in Nederlandse dienst uitstekend te voldoen.
    Al in 1984 werden de splinternieuwe Haarlem en Harlingen uitgezonden voor mijnenbestrijding in de Rode Zee. Een ommezwaai in de filosofie van zowel de politiek als de marineleiding was hiervoor nodig. Toen twee mijnenjagers in 1988, voor het eerst sinds de oorlog in Korea, werden uitgezonden naar het oorlogstoneel in de Perzische Golf, leefde het Nederlandse volk mee met belevenissen van de bemanningen. De schepen bleven de Nederlandse belangen behartigen op zee, zoals bleek in 2011 toen Nederlandse mijnenjagers de enige beschikbare schepen waren voor inzet bij Libië.
    Op onze Noordzee ruimen de schepen nog steeds honderden explosieven op. De vloot van mijnenjagers is door onverantwoorde bezuinigingen sterk gekrompen, maar hun prestaties zijn door modernisering van platform en systemen toegenomen. In dit boek wordt de noodzaak, ontwerp, bouw, uitrusting en de geschiedenis van de schepen beschreven. Hier kunt U alles te weten komen wat U altijd al heeft willen weten over de mijnenjagers van de Alkmaar-klasse.

  • Dit boek geeft een overzicht van de Spitfire's die door Nederland werden gebruikt vanaf 1943 tot en met heden. De samenstelling is gebaseerd op archieven, correspondentie, interviews met de gebruikers en hun familie, onderzoek door derden en eigen onderzoek. Maar dan wel uitdrukkelijk met de vermelding "voor zover bekend". Er kan morgen weer een archief open gaan met nog meer aanvullende feiten. Om het boek completer te maken zijn de namen opgenomen van de vliegers die tijdens de oorlog op Spitfire's en Seafire's hebben gevlogen, waar onder ook enkele Nederlandse vrouwen. Er is een lijst van tijdens de oorlog in ons land neer-gekomen Spitfire's welke na jaren van onderzoek door de Studie Groep Luchtoorlog 39-45 beschikbaar werd gesteld. Ook is een deel van het Operations Record Book van No.322 (Dutch) Squadron opgenomen voor hen die willen weten wat de vliegtuigletter was van een 322 Spitfire tijdens operationele vluchten. In het voor en nawoord komen de mannen achter de enige nog vliegende Nederlandse Spitfire aan het woord alsmede vlieg technische beschrijvingen van Generaal-Majoor b.d. Berry Macco die heel lang op "onze"Spitfire" vloog.

  • De Fokker G-1 jachtkruiser, was een aanvalsjager die in 1934 werd ontworpen door ir. Marius Beeling en dr. Erich Schatzki. Het idee achter het ontwerp was een combinatie van een lange afstands jager, verkenner en lichte bommenwerper. Een denkbeeld dat ook in het buitenland leefde en aanleiding was voor diverse nieuwe vliegtuigontwerpen. Dit ontwerp was met name bijzonder door het gebruik van dubbele staartbomen, het kenmerk van deze jachtkruiser.

    De G-1 jachtkruiser werd in 1936 bij zijn presentatie op de 15e Luchtvaartsalon in Parijs een regelrechte sensatie. Het toestel kreeg meteen de bijnaam Le Faucheur (De Maaier) door zijn geduchte bewapening. Deze bestond aanvankelijk uit twee kanonnen en twee mitrailleurs (later vier of acht mitrailleurs), bovendien kon het toestel ook nog 400 kilo aan bommen meevoeren.

    Dit is het eerste deel van twee uitgaven over de Fokker G-1. Beide delen vormen een standaardwerk over een stuk nationale luchtvaart historie. Compleet, met aandacht voor het ontwerp, techniek en de ontwikkeling van het vliegtuig. Bij de fabricage van het toestel werd gebruikgemaakt van een houtconstructie voor de vleugel en het middenstuk van de romp. De vleugel en het middenstuk vormden een geheel. Het voorstuk van de romp was een stalen buisconstructie bekleed met aluminium. De beide staartbomen waren geheel van aluminium.

    Er zijn verschillende versies gebouwd met verschillende motoren. Aan de achterzijde waren de toestellen voorzien van een draaibare schietkoepel. Een machinegeweer kon door een opening naar buiten worden gestoken; hiervoor waren over de hele lengte van de koepel naar binnen scharnierende kleppen aangebracht. In noodgevallen kon deze koepel worden afgeworpen, om het vliegtuig snel per parachute te kunnen verlaten.

    Het Wapen der Militaire Luchtvaart bestelde 36 stuks. Deze werden in 1939 afgeleverd. Ten tijde van de Duitse inval waren er 23 direct inzetbaar.
    De Fokker G-1 en D.21 bleken in mei 1940 de enige Nederlandse toestellen te zijn die enigszins tegen de Duitse jachtvliegtuigen waren opgewassen. Er werden meerdere vijandelijke toestellen mee neergeschoten.

    De collecties van leden van de Stichting Fokker G-1 vormen de basis voor dit boek; overige literatuur, archief-onderzoek en correspondentie maakten het uitwerken mogelijk. Van ontwerp op de tekentafel tot wrak in de bodem van Nederland, het complete verhaal.

  • In 1935 werd duidelijk dat de Nederlandse Luchtvaart-afdeling (LVA) nodig gemoderniseerd moest worden. Nieuwe plannen behelsden onder andere twee vliegtuigafdelingen met jachtkruisers met een aanzienlijk vliegbereik voor patrouilletaken. De Fokker G-1 werd beschouwd als het ideale type voor deze taak en 36 toestellen werden besteld. Ze werden in 1939 geleverd.
    Op 1 september 1939 werd de 4e JaVA op Bergen opgericht en als eerste uitgerust met G-1's. Deze patrouilleerde boven het noorden van het land en onderschepte heel wat buitenlandse (Duitse) vliegtuigen.
    Na het november-alarm werd de 3e JaVA, uitgerust met de G-1, gestationeerd op Waalhaven bij Rotterdam en patrouilleerde boven het zuiden van het land.

    In 1939 werden 26 voor Spanje bedoelde G-1 Wasp's door Nederland overgenomen. Begin 1940 werden de eerste zes ongewapend afgeleverd, zodat de vliegers van V-2 LvR, de Jachtgroep Veldleger, er alvast mee konden oefenen. Intussen werkte Fokker hard aan de ombouw van de G-1 Wasp voor de ML, die op 1 juni operationeel zou worden. In mei 1940 was al een deel bewapend. Tijdens de Duitse aanval slaagden acht G-1's er in te starten vanaf Waalhaven. Zij schoten vijftien vijandelijke vliegtuigen neer, maar tenslotte kon slechts één G-1 opnieuw ingezet worden. De G-1's van de 4e JaVA stonden opgesteld op het platform toen ze werden verrast door een Duitse aanval vanuit zee en slechts één kon opstijgen. Bij een latere aanval werd een aantal G-1's op het platform uitgeschakeld. De overige toestellen werden buiten het veld gebracht en zo mogelijk gerepareerd.
    De volgende dagen werden de G-1's ingezet voor verkenning, escorte of grondaanvallen. Na de capitulatie werden op Schiphol alle G-1 Mercury's en D.21's in brand gestoken.

    De Duitsers maakten diverse toestellen buit. De Mercury's werden eerst gerepareerd. De resterende G-1 Wasp's werden overgenomen door de Luftwaffe en tot begin 1943 gebruikt bij vliegscholen. Één buitgemaakte G-1 Wasp wist naar Engeland te ontsnappen. Op 5 mei 1941 slaagden invlieger T.H. Leegstra en ir. P.J.C. Vos er in om een laatste vlucht van Schiphol te maken. Het toestel was volgetankt. Eenmaal in de lucht vlogen ze weg van een begeleidende G-1, gevlogen door invlieger Emil Meinecke, en koersten naar het westen. Aangekomen boven Engeland landden ze zo snel mogelijk om niet neergeschoten te worden door achtervolgende Hurricanes. De kist werd later overgevlogen naar Miles, waar de houten vleugel werd getest. Het vliegtuig stond daar nog na de oorlog. Niemand was nog geïnteresseerd...

  • De Fokker D.21 is het belangrijkste Nederlandse vliegtuigontwerp uit de tijd van de Tweede Wereldoorlog. Het toestel, ontworpen door een uit Duitsland gevluchte Joodse ingenieur, was niet zonder beperkingen en onvolkomenheden; maar voor drie kleine neutrale landen - Nederland, Denemarken en Finland - was de D.21 wat het meest in de buurt kwam van de Spitfire toen zij door de oorlogsmachines van Hitler en Stalin werden aangevallen in de bange dagen van 1939 en 1940. Het verhaal van dit vliegtuig heeft daardoor iets tragisch: de tragiek van een ongelijke strijd. Maar toch trok de D.21 niet altijd aan het kortste eind. De Nederlandse toestellen leverden felle luchtgevechten tegen de Luftwaffe, en in de Finse strijd tegen de Russische invasietroepen was Fokkers laatste eenmotorige jager zelfs een bittere winter lang een winnaar.
    Terwijl Nederland door de Duitsers was bezet, ging de ontwikkeling en productie van de D.21 in Finland nog verder, en als een oude frontsoldaat streed de D.21 tot in 1944 in de Vervolgoorlog tegen de Russen.

    Dit boek is het eerste grote, Nederlandstalige werk dat het interessante verhaal van de Fokker D.21 in al zijn internationale facetten uit de doeken doet. De meest vooraanstaande kenners in vier verschillende landen werkten eraan mee. Het bevat veel nieuwe inzichten en is rijkelijk geïllustreerd met honderden foto's en tekeningen, waarvan vele nooit eerder zijn gepubliceerd.

  • Van maatje tot meester

    J.Th. Reulen

    • Lanasta
    • 19 Februari 2021

    Op de terugweg in de trein naar Utrecht raakte ik in gesprek met een medepassagier die gekleed was in uniform. Hij vertelde een opleiding te volgen aan de machinistenschool in Utrecht. Ik nam het ter kennisgeving aan en dacht er niet meer aan.
    Toch zou dit het begin worden van een loopbaan op zee.

    Na z'n technische opleiding begon de auteur in 1955 op de scheepswerf als 'maatje' van een pijpfitter, pas na enige tijd kwam hij aan boord van zijn eerste schip, de ms Indrapoera. Aanvankelijk korte reizen, maar na verloop van tijd ook naar verre oorden. Vaak was men dan maanden van huis, met nauwelijks contact met het thuisfront. Doordat de schepen vaak enige tijd in havens verbleven, was het mogelijk om te gaan passagieren. Maar wilde men hogerop, dan moest men, naast de dagelijkse werkzaamheden, wel tijd inruimen voor studie. Uiteindelijk zou ook de auteur zich bekwamen tot machinist. (Door de bemanning aangesproken als 'meester'.)
    De scheepswerktuigkundige (wtk) beschrijft het leven aan boord op diverse schepen van de voormalige Koninklijke Rotterdamsche Lloyd.

  • Poolshoogte nemen
    Voor de zestiende-eeuwse zeeman was dat: je positie bepalen. Ongeveer vijf eeuwen geleden verschenen de eerste gedrukte handboeken over astronavigatie met vierjarige declinatietafels. Ze legden uit hoe je aan de hoogte van de zon en de Poolster kon aflezen waar je was en welke koers je moest varen om een veilige haven te bereiken. Het zijn technieken die door de eeuwen heen hun waarde hebben bewezen.
    De auteurs laten hier datzelfde format herleven, maar nu toegesneden op de moderne zeiler die een sextant heeft en een betrouwbaar klokje. Er zijn moderne
    declinatietafels voor vier jaar, 2021-2024 en nog tenminste twaalf jaar daarna. Ook zijn er tijdloze tafels voor de daglichtperiode, de tijd tussen zonsopkomst en -ondergang. Daarmee vind je je lengtegraad, iets dat in de zestiende eeuw nog niet mogelijk was. En natuurlijk is er het "Regiment" van de Poolster, in een nieuwe gebruikersvriendelijke versie.
    Een Trans-Atlantische tocht van Dick Huges, waar hij deze technieken gebruikt, wordt in dit boek beschreven

  • Dit zeer complete technische handboek beschrijft uitgebreid alle facetten die bij de keuring van een polyester zeiljacht aan de orde komen. Naast het omschrijven van het keuren en beoordelen van een gebruikt polyester zeiljacht, zit het boek boordevol informatie over de wijze waarop een polyester zeiljacht als geheel is opgebouwd, maar ook over de aanleg en werking van de diverse technische en elektrische installaties. Koos Blonk heeft het boek met name geschreven om aspirant booteigenaren wegwijs te maken op hun eigen boot en te accentueren waar men specifiek bij de aankoop op moet letten. Daarnaast is het boek bedoeld voor zeilers met belangstelling voor techniek die zich door kennis minder afhankelijk willen maken.

  • Het varen op zee op de Grote Handelsvaart in het algemeen en het zeeslepen en bergen van schepen in het bijzonder wordt beschreven in een tijd waarin veel veranderingen optreden.

    De containerisatie, nu (2016) zo'n 50 jaar geleden in gang gezet, is één van de grootste economische uitvindingen van de 20e eeuw met zeer grote gevolgen voor de werkgelegenheid in de havens en op de vaart zelf.
    Door de welvaart aan de wal nam ook de lust tot varen af en kwamen buitenlandse bemanningen op Nederlandse schepen varen. Het gezegde is: "Het is een arm land dat zijn zonen naar zee stuurt". De globalisering startte 50 jaar geleden al in de scheepvaart, maar voor iedereen, behalve de zeeman, was het een ver van m'n bed show. Begon de containerisatie in de USA, het zware lading transport is een Nederlands succesverhaal. Was de containerisatie één van de grote oorzaken van rederijfusies, de komst van het zware lading transport over zee heeft beroemde zeesleepbedrijven gemarginaliseerd of doen verdwijnen.
    Werd in 1960 het eerste Nederlandse schip met een marifoon uitgerust en in 1977 het eerste Nederlandse schip met een satellietnavigatie systeem, nu is er zoveel techniek aanwezig dat één van de grootste veiligheidsuitdagingen het vasthouden van de concentratie is. Het gebruikmaken van de eigen zintuigen zoals m.n. ogen en oren. Ter Haar doet in het boek enige malen een oproep tot behoud van het mooie begrip "zeemanschap". Een begrip wat in de wetten van de zeevaart dikwijls gebruikt wordt en waarop zeelui in geval van calamiteiten ook op aangesproken worden. Het is een onderschat begrip geworden.
    Reders zijn managers geworden en men is, door de hedendaagse communicatie-middelen, geneigd zich met veel details te bemoeien, maar als het mis gaat wordt naar de scheepsbemanning verwezen. Protocollen vervangen het zelfstandig denken, niet bewust, maar men staat het toe, terwijl zelfstandig en autonoom denken een betere professional maakt die ook op het protocol let, want in principe is een protocol niets nieuws.

    Wat geldt op de vaart geldt zeker ook in de berging van schepen. Meer en meer bemoeien overheden zich met de berging van schepen, de kosten zeer opdrijvend. Maar de oudste zekerheid dat een haven ook een vluchtplaats hoort te zijn dringt slecht door bij veel autoriteiten.

    Maar wat nog altijd geldt is het oude gezegde:
    "Al ziet men kerk en toren staan dan is de reis nog niet gedaan".
    Dit geldt voor alle situaties...

  • In 1955 besloot de Koninklijke Marine tot de bouw van zestien ondiepwatermijnenvegers. Zij waren bestemd om de mijnenleg in de Nederlandse binnenwateren, de zeearmen en de kustzee te bestrijden. Gebouwd als ranke, mooi afgewerkte, maar toch zeer zeewaardige schepen waren zij een lust voor het oog, zeker als zij zich bij slecht weer op de woelige Noordzee bevonden.
    Maar zo klein de notendop op zee leek, zo imposant was het schip als zij afmeerde in een kleine haven diep in het binnenland tijdens een vlagvertoonreis.
    Met slechts een bemanning van veertien man was het hard werken voor alle hens waarbij de dienstvakken en rangen vaak vervaagden omdat het eigenlijk een grote familie was die de klus moest klaren.
    Veel jonge officieren en onderofficieren hebben aan boord van deze schepen niet alleen de praktijklessen van het vak geleerd, maar leerden ook leiderschap, samenwerking en respect voor elkaar. Het vormde de basis voor een latere carrière.

    Dit is het complete verhaal over de ondiepwatermijnenvegers van de Van Straelen-klasse van de Koninklijke Marine: de Dinky Toys van de Mijnendienst.
    Er wordt aandacht besteed aan de besluitvorming, het ontwerp, de bouw en uitrusting van de schepen. Daarnaast wordt stil gestaan bij de naamgevers, de historie en de inzet van de schepen. Door de vele foto's, verhalen en anekdotes geeft het boek tevens een schets van de omgeving waarin deze schepen moesten opereren. Ondanks dat deze kleinste operationele eenheden van de Koninklijke Marine vaak door mensen van de 'grote vloot' Dinky Toys werden genoemd verrichtten zij hun taak met verve: 'Beter kleine baas dan grote knecht'.

  • Oprichter J.F. Wijsmuller droeg zijn betrokkenheid bij de maritieme wereld via zijn genen over aan zonen en kleinzonen.
    Bureau Wijsmuller werd een begrip. Het sleepbedrijf, later uitgebreid met zwaar transport, groeide uit tot een van de belangrijkste spelers op de wereldmarkt.

    Nico J. Ouwehand geeft met dit rijk geïllustreerde boek, met veelal nooit eerder gepubliceerd fotomateriaal, een bredere kijk op de geschiedenis van dit bedrijf.

  • Zorg dar je d'r bij kwam

    Thom Rensing

    • Lanasta
    • 14 September 2017

    " ZORG DAT JE D,R BIJKWAM!"
    Thom Rensing, een oud mld, er in hart en nieren, heeft zijn jarenlange ervaringen bij de Marineluchtvaartdienst opgeschreven en gebundeld. De door hem opgedane , soms hachelijke, belevenissen zijn aangevuld met een kleine duizend specifieke marine-termen en uitdrukkingen. Hij behoort tot één van de talrijke Nederlanders die het genoegen gehad heeft om jarenlang als "beroeps" bij de Koninklijke Marine gediend te hebben. Gedurende zijn dienstverband heeft hij veel meegemaakt. Niet alleen op de vaste wal, maar vooral op het toenmalige vliegkampschip, de Karel Doorman. Daar vonden veelvuldig starts en landingen van de op het schip gestationeerde vliegtuigen plaats die maar op het nippertje goed afliepen. Maar het ging ook wel eens goed mis, waardoor het na afloop van een "trip" van zo, n maand of twee kon gebeuren dat van de bijvoorbeeld 12 ingevlogen vliegtuigen er slechts zes heelhuids de eindstreep haalden! De rest was of "over de muur" (overboord) gegaan of was tijdens een mislukte landing dusdanig beschadigd, dat de overblijfselen van deze kisten in stukken en brokken in de hangar benedendeks lagen uitgestald.. De Karel Doorman mocht in die tijd dan wel het grootste schip zijn van de Koninklijke Marine, maar het was slechts een schamele notendop in vergelijking met de Engelse en Amerikaanse monstercarriers die tegenwoordig de zeeën bevaren.
    Het boek biedt niet alleen de burger een kijkje in het kombuis van de wereld die Marine heet, maar het doet de mannen of vrouwen die daadwerkelijk bij de Marine in dienst zijn geweest ongetwijfeld met enige weemoed aan zijn of haar tijd bij de "baas" terugdenken.

  • Anglais Warplane 04 - 4

    Nico Braas

    One of the lesser known fighter aircraft of World War 2 was the Brewster Buffalo, or, using the U.S. Navy designation system, the F2A. By some historians the Buffalo is regarded as an outright failure but this is a rating this stubby little fighter definitely did not deserve.

  • Designed in 1933, the elegant looking Fokker C.X was outdated from the start. The type was intended as strategic reconnaissance plane, but was not suited for this task. More modern, twin engine types had claimed this specialized role. Instead, the biplane served well as short range scout and light bomber. The C.X is a little known member of the Dutch Fokker stable. Just like the D.XXI this biplane served in the air forces of two little neutral countries on the eve of World War II.

  • When the B-58 Hustler bomber entered service in 1958 it was a very futuristic looking delta wing bomber creating a lot of sensation. Intended as a successor of the B-47 Stratojet it was capable of reaching twice the speed of sound.
    However, development went not without problems and costs risings went so out of control that the whole project was almost cancelled a few times. Strategic Air Command was initially against ordering the B-58 for service, not only because of its complexity but also since they saw no advantage of a Mach 2 bomber over other types. In spite of this the B-58 entered into service at S.A.C. in 1960. It would have a relatively short operational career...

  • The two ships of the Jacob van Heemskerck class of the Royal Netherlands Navy were built as specialized air defence frigates. A development of the Standard type. Paid off after twenty years service transferred to the Chilean Navy and since 2005 / 2006 commissioned units of the Almirante Latorre class.

  • Soms zijn er eindeloze discussies over het gebruik van kleur. Een aantal jaren geleden waren er enkele modelbouwers die, met een kleurenwaaier van de schilder, aan boord van een marineschip stapten om nu voor eens en altijd de goede kleur te bepalen voor hun model. Een mooi plan, maar al snel zou blijken dat ook dit niet het gewenste resultaat bracht ....

    Over kleur valt veel te vertellen. Maar daarbij alleen houdt het niet op. Vaak hoor je bij beginnende modelbouwers de vraag: "Welke soort verf moet ik nu gebruiken?" alsof het een vreemd en bijzonder product is. Iedere verfsoort heeft z'n eigen voor- en nadelen. Door de jaren heen hebben verschillende modelbouwers getoont dat bij vrijwel iedere verfsoort goede resultaten te behalen zijn.

    - Kleur selectie en kleurmengen

    - Kleur coderingen

    - Verfsoorten en hun eigenschappen

    - Gereedschappen

    - Technieken

  • In deel 3 gaat Chris door met nog meer stijlmeubels, het bouwen van verlichtingsarmaturen, en zal Wies uiteenzetten hoe men miniatuur kleden knoopt, wandbekleding vervaardigd, en gecompliceerde meubelstoffering vervaardigd. En alles op schaal 1:12.

  • In dit tweede deel verteld Chris hoe zijn modelhuis is gebouwd, en geeft hij aanwijzingen hoe men zelf aan de slag kan gaan. In de eerste twee hoofdstukken wordt de basis uiteen gezet. Hoe men ontwerpt en bouwt, gereedschap gebruik, afwerking van details, het werken met hout en metaal, kortom een min of meer complete modelbouwcursus. In de volgende hoofdstukken beschrijft hij het bouwen van verschillende meubels.

  • In drie delen geven C. Nierse en W.J. Nierse ten Bosch tekst en uitleg over een bijzonder landhuis uit begin 1900. Dit eerste deel heeft voornamelijk de inrichting van het poppenhuis als onderwerp. Maar ook wordt er aandacht besteed aan de bouw van het poppenhuis.

  • Wagens en rijtuigen

    Frans Zwartjes

    In de houtmodelbouw is de bouw van paardenwagens de meest in het oogspringende discipline. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te geven;
    1. Voor veel mensen zijn rijtuigen en paarden het symbool van een romantische tijd,
    2. De opleving van het gebruik van paard en wagen voor vrije tijdsbesteding, waardoor de voorbeelden voor de modelbouw weer regelmatig op ware grootte te zien zijn,
    3. Beginners kunnen al spoedig een zeer aantrekkelijk model bouwen, terwijl er voor de zeer geroutineerde modelbouwer genoeg onderwerpen zijn om zijn vakmanschap te tonen.

    Hout is een levend materiaal, voelt prettig aan en er is een zeer groot assortiment betaalbaar en goed gereedschap op de markt waarmee hout op eenvoudige en alle mogelijke manieren bewerkt en gevormd kan worden. Naast hout werden voor wagens, karren en rijtuigen ook vele andere materialen gebruikt waaronder ijzer een zeer belangrijke plaats inneemt o.a. voor de onderstellen.
    Net zoals er vroeger is er een duidelijk onderscheid tussen wagenmakers en rijtuigbouwers, in het verleden waren in feite twee verschillende beroepen. Ook in de modelbouw is er een groot verschil tussen het bouwen van boeren- en bedrijfswagens en luxe rijtuigen en koetsen. Omdat boeren- en bedrijfswagens blank of eenvoudig geschilderd waren, moet in de modelbouw het construeren van dit soort wagens met grotere precisie gebeuren dan soms bij rijtuigen nodig is. Immers bij rijtuigen kunnen we veel ongerechtigheden verdoezelen onder plamuur en andere vulstoffen, terwijl de kwaliteit van het lakwerk het uiteindelijke resultaat bepaalt.

    In dit boek wordt de totale modelbouw van wagens, karren en rijtuigen uitvoerig behandeld aan de hand van de originele bouw met aanpassingen in verband met de schaalverhouding. Ook wordt soms de originele constructie naast de modelbouwconstructie behandeld.
    Voor het overgrote deel wordt in deze tak van de houtmodelbouw schaal 1:8 toegepast. Deze scheelverhouding is gebaseerd de Engelse schaalverhouding 1,5 inch op 1 voet, de bakermat van de wagens en rijtuigmodelbouw.
    Alle in dit boek genoemde schaalmaten zijn gebaseerd op de schaalverhouding 1:8.

    Vele van de in dit boek beschreven bewerkingen en bouwwijzen zijn ook op andere manieren uit te voeren. Er is echter getracht zoveel mogelijk de eenvoudigste weg te kiezen die zo dicht mogelijk bij de originele manier van bouwen ligt.
    Dit boek biedt zowel de beginnende als de ervaren modelbouwer ruim voldoende informatie om de uitdaging voor de bouw van een eigen schaalmodel aan te gaan.

empty