Boom bestuurskunde

  • Premier Mark Rutte schreef parlementaire geschiedenis. Hij leidde drie kabinetten, vertegenwoordigde het land in Brussel en trad aan als crisismanager.

    Is Mark Rutte een politiek genie? Hij bleek pragmatisch, wendbaar en resultaatgericht. Zijn contactuele vaardigheid, dossierkennis, debatkwaliteit en taallenigheid kwamen van pas om meerderheden te verwerven en uit te bouwen. Hij past in een tijd waarin regeren ook reageren en improviseren is. Steeds meer Nederlanders schonken hem het vertrouwen.

    In dit boek worden de sterke en zwakke kanten van de premier op een rij gezet. Kreeg het premierschap meer allure?

  • Sociale media, big data, online monitoring digitale technologieën bieden de overheid enorm veel mogelijkheden om samenwerking effectiever vorm te geven en de beleidsontwikkeling te rationaliseren. Die mogelijkheden roepen echter ook fundamentele vragen op over het karakter van de overheid. De technologische ontwikkelingen zetten een transformatie in gang en deze vindt nu plaats. Hoe willen wij dat De Nieuwe Overheid eruit komt te zien?

    Dit boek concretiseert abstracte discussies over De Nieuwe Overheid aan de hand van een serie vragen die door de technologische ontwikkelingen worden opgeroepen. Is het verstandig om gaming als beleidsinstrument te gebruiken en hoe kunnen overheidsorganisaties dit doen? Mogen ambtenaren op internet hun eigen mening uiten? Moeten organisaties computers regelen voor hun medewerkers of hen een budget geven om hun eigen voorzieningen te regelen?

    De Nieuwe Overheid presenteert op herkenbare wijze een overzicht van de nieuwe technologische ontwikkelingen, maar geeft tegelijkertijd inzicht in de organisatorische, beleidsmatige en normatieve afwegingen die uit die nieuwe mogelijkheden voortkomen. Wat willen we eigenlijk met al die mooie nieuwe technologieën? Dit boek geeft zowel pleitbezorgers als criticasters van De Nieuwe Overheid stof tot nadenken.

    Albert Meijer (1967) is als universitair hoofddocent publiek management werkzaam bij het departement bestuurs- en organisatiewetenschap van de Universiteit Utrecht.

    Davied van Berlo (1972) is initiatiefnemer van het netwerk Ambtenaar 2.0 en van Pleio en werkzaam bij de Rijksoverheid.

  • Stel, u heeft als adviseur of manager de ambitie om iets te veranderen. `Iets kan daarbij van alles zijn: de organisatiecultuur, de bedrijfsstrategie, de sturingsfilosofie, de personeelsopbouw, de politieke sensitiviteit van de leiding, de veranderbereidheid bij medewerkers, het maatschappelijk draagvlak in de omgeving. Het maakt niet uit, vult u zelf maar in. Taal vormt voor het realiseren van die ambitie uw grondstof, halffabricaat en eindproduct.
    Als u iets wilt veranderen, doet u onvermijdelijk een beroep op uiteenlopende taalregisters: de taal van de organisatie waar u verandering wilt bewerkstelligen, maar ook de vaktaal die gangbaar is binnen de veranderprofessie en daarnaast wellicht uw eigen - meer of minder bewust ontwikkelde - taal. Soms sluiten de taalregisters mooi op elkaar aan, maar soms ook zit er duidelijk ruimte tussen. Vaktaal is daarbij vaak vrij dwingend, maar juist ook uw vermogen om eigen (tijdelijke) taal te ontwikkelen kan bij het bewerkstelligen van verandering verschil maken, omdat we niet alleen zeggen wat we zien maar ook zien wat we zeggen: de dingen pas scherp zien als we in staat zijn ze onder woorden te brengen.
    Vaktaal biedt belangrijke concepten, methoden en modellen voor het bewerkstelligen van verandering. Tegelijk schiet dat taalregister vaak tekort waar kwesties die er echt toe doen de stilte worden ingeduwd. De inzet van dit `werkboek is om de stilte (weer) een stem geven: verandering begrijpen en waar nodig helpen bewerkstelligen door een vaak nog onopgemerkte stilte hoorbaar te maken, door er een stem aan te geven. Methodisch, overwogen en doordacht. En ook: zoekend, intuïtief, instinctief en daarmee ook echt persoonlijk.

    Peter Terlouw is verandermanager bij de rijksoverheid. Momenteel is hij programmamanager interdepartementale samenwerking subsidieverlening. Daarvoor werkte hij in zowel management- als adviesfuncties aan het realiseren van complexe organisatie- en beleidsveranderingen (o.a. bij het ministerie VWS, de Gezondheidsraad, de Provincie Zuid-Holland).

    Mark van Twist is decaan en bestuurder van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur. Hij is daarnaast hoogleraar Bestuurskunde, in het bijzonder bestuurs- en beleidsadvisering in publiek private context, aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Tevens is hij wetenschappelijk directeur internal audit & advisory aan de Erasmus School of Account & Assurance en buitengewoon lid van het College van de Algemene Rekenkamer.

  • De zwerende wethouder en andere verhalen is een bundeling fictieve belevenissen van Christiaan Kooman, integriteitsonderzoeker bij BING. Tijdens zijn loopbaan bij BING heeft Kooman tientallen onderzoeken verricht naar het handelen van burgemeesters, wethouders, raadsleden en ambtenaren. Zijn ervaringen hebben hem geïnspireerd tot het schrijven van deze verhalen. Ze zijn fictief, maar realistisch en geven daardoor een mooi inkijkje in het werk van een integriteitsonderzoeker, achter de schermen van het onderzoek.

    Integriteit is een kernwaarde van het openbaar bestuur. Burgers moeten erop kunnen vertrouwen dat overheidsdienaren en politici zelf de regels naleven. Maar dat is in de praktijk niet altijd het geval. In voorkomende gevallen wordt er dan een integriteitsonderzoek ingesteld. Daarmee kunnen beschuldigingen of geruchten worden geverifieerd of weerlegd. De verhalen in De zwerende wethouder en andere verhalen laten zien waar een integriteitsonderzoeker mee te maken kan krijgen: valse beschuldigingen, politieke spelletjes, liegende betrokkenen etc.

    De bundel is geschreven ter gelegenheid van het tienjarig bestaan van BING (afgeleid van Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten); het advies en onderzoeksbureau dat zich richt zich op integriteitsvraagstukken van organisaties in zowel de publieke als private sector.

    Drs. Christiaan Kooman (1971) is senior onderzoeker bij BING. Het speuren naar misstanden heeft hem altijd al geïnteresseerd. Na afronding van zijn studie bestuurskunde in Leiden volgde hij de opleiding tot inspecteur aan de Nederlandse Politieacademie in Apeldoorn. Hierna was hij onder meer werkzaam bij de politie Amsterdam en de Nationale Recherche. Daarnaast heeft hij gewerkt als onderzoeksjournalist bij zowel televisie (Peter R. de Vries) als krant (Algemeen Dagblad). Sinds 2008 is hij werkzaam voor BING.

    In dit zeer makkelijk leesbare boek van Christiaan Kooman komen voorbeelden naar voren van politici en ambtenaren die fouten hebben gemaakt, terwijl ze goed probeerden te doen. Daarnaast zijn er voorbeelden van politieke ambtsdragers en ambtenaren die duidelijk niet integer handelden en daarvoor geheel terecht de consequenties moesten dragen. Het meest interessant zijn misschien wel de voorbeelden waar raadsleden of wethouders ten onrechte worden beschuldigd.
    Frits Huffnagel, oud-wethouder van Amsterdam en Den Haag

  • We leven in een improvisatiemaatschappij. Die is even onvoorspelbaar als inspirerend. Ze genereert onbehagen, maar ook nieuwe dynamiek. Vooral van gemeenten wordt verwacht dat zij dichtbij de zorgen én de kracht van mensen tot nieuwe vormen van samenleven komen. Daarvoor is een nieuwe bestuursstijl nodig. Deze laat zich samenvatten in tien helder geformuleerde principes die zijn geïnspireerd op de metafoor van de jazzmuziek.

    Hans Boutellier is wetenschappelijk directeur van het Verwey-Jonker Instituut en bijzonder hoogleraar Veiligheid & burgerschap aan de VU Amsterdam. Hij publiceerde het spraakmakende boek De improvisatiemaatschappij (2011). In dit vervolg daarop zet Boutellier de consequenties voor het lokaal bestuur uiteen. Hij schreef eerder De ¬veiligheidsutopie en Solidariteit en slachtofferschap. Zijn boeken verschenen ook in het Engels en Frans.

  • Overheden en private partijen zien steeds vaker in dat veiligheidsvraagstukken alleen in samenwerking tussen overheid en private sector effectief kunnen worden aangepakt. Door de krachten te bundelen kan synergie ontstaan. In de praktijk leeft een grote behoefte aan kennis en inzicht. De voortschrijdende digitalisering van onze samenleving en het ontstaan van allerlei nieuwe dreigingen zoals cybercrime dragen daaraan sterk bij.
    In dit boek zijn de good practices op het gebied van privaat-publieke samenwerking (PPS) onder meer via een vijftal praktijkcases, zoals het Landelijk Skimmingpoint, de Stichting Aanpak Voertuigcriminaliteit en het Landelijk Meldpunt Internet Oplichting, onderzocht en in beeld gebracht.
    De succesfactoren van PPS-projecten op het gebied van digitalisering en cybercrime worden in het boek aan de hand van een integraal model systematisch uitgewerkt. Ook de juridische aspecten van privaat-publieke samenwerking komen aan de orde. Het boek bevat vele praktijkvoorbeelden die kunnen dienen als inspiratiebron voor andere bestaande, of nog te starten PPS-projecten. Uiteraard worden ook aanbevelingen gedaan voor de praktijk van privaat-publieke samenwerking.

    Peter Hagenaars is bedrijfskundige en sinds 2004 directeur van Top Management Consult. Als kwartiermaker van het landelijke Programma Aanpak Cybercrime stond hij aan de wieg van vele privaat-publieke samenwerkingsverbanden, zoals het Landelijk Skimmingpoint en het Digitaal Bedrijvenloket. In zijn aanpak speelt het overdragen van kennis en ervaring een belangrijke rol. Dit boek is daarvan een sprekend voorbeeld.

    Jacqueline Bonnes is de laatste tien jaar werkzaam als officier van justitie te Rotterdam, waarvan de laatste vier jaar met de portefeuille cybercrime. Daarvoor was zij werkzaam als wetgevingsjurist en plaatsvervangend hoofd Wetgeving van het ministerie van Economische Zaken, waarbij zij niet alleen wetgevingsprojecten heeft begeleid, maar ook convenanten heeft getoetst en opgesteld. Dit boek is geschreven op persoonlijke titel.

    De gekleurde ethernetkabels op de foto op de voorkant staan symbool voor samenwerkende private en publieke partijen in het (digitale) veiligheidsdomein. De kabels zijn in elkaar vervlochten, waardoor een gebundelde kabel ontstaat die sterker is dan de som van de individuele kabels: de kracht van privaat-publieke samenwerking.

  • Wat is de stand van Nederland? We hoeven volgens sommigen alleen maar naar de vele initiatieven van mensen onderling te kijken de buurtinitiatieven, de broodfondsen, de duurzame energiecoperaties om te concluderen dat het prima met ons gaat. Burgers wachten niet langer op de overheid en kunnen met elkaar veel voor elkaar boksen: Het gaat goed! Tegelijkertijd bestaat er naast dit positieve verhaal ook een ander verhaal over Nederland. Er is sprake van een wijdverspreid maatschappelijk onbehagen en de meerderheid van de Nederlanders meent dat het met Nederland de verkeerde kant op gaat: Het gaat slecht!

    Twee ogenschijnlijk onverenigbare verhalen, die echter toch meer overeenkomsten hebben dan op het eerste gezicht lijkt. Beide hebben namelijk te maken met dezelfde menselijke behoeftes: de behoefte aan sociale verbondenheid, aan persoonlijke aandacht en menselijke interactie, aan het gevoel ook dat mensen invloed en controle hebben over hun eigen leven. Meer vertrouwen op de eigen kracht van mensen hoort hierbij. Maar wie simpelweg bepleit om `burgers meer zelf te laten doen, op welke manier dan ook, trekt de verkeerde les uit de recente populariteit van initiatieven van mensen onderling. Het gaat om een fundamenteel andere inrichting van onze samenleving waarin de mens weer centraal staat, en niet het systeem.

    `Mensen zijn geen beleidsinstrumenten
    Alexander Pechtold, Algemene Politieke Beschouwingen 2014

  • Als samenleving lopen wij aan tegen de grenzen van de huidige besturingsstructuren, -systemen en -instrumenten. Professionals, managers en bestuurders werkzaam in het publieke domein ervaren dit in hun dagelijkse praktijk met enerzijds grote maatschappelijke uitdagingen en hoge verwachtingen en anderzijds een onderliggende dynamiek die niet te vangen is in de beschikbare managementmodellen.

    In 2013 creëerde Het Zijlstra Center voor publieke leiders een vrije ruimte voor gezamenlijke reflectie. Vanuit nieuwsgierigheid en vanuitde behoefte aan inspiratie zijn wij - professionals, managers en bestuurders in het publieke domein - een Leadership Quest gestart. Wij dagen onszelf en elkaar uit om de eigen praktijk te onderzoekenmet oog voor de diversiteit aan ontwikkelingen en betekenissen.

    Dit boek is een eerste mijlpaal in onze verkenning van nieuwe perspectieven op publiek leiderschap. Wij hebben ons laten leiden door vragen als: hoe in een sterk geëconomiseerde samenleving oog te houden voor de menselijke waarden? Hoe krijgt leiderschap vorm in ziekenhuizen, woningcorporaties, de Landmacht, gemeenten? Welke rol spelen politiek, ondernemend en moreel leiderschap? Waar laat een publiek leider zich door leiden? Met dit boek hopen wij de lezer te inspireren tot een eigen Quest. Een Quest die bijdraagt aan een menselijke samenleving. Daarin ligt onze meerwaarde als publieke leiders: zorg voor een goede samenleving, zorg voor het goed samen leven.

  • De 21ste eeuw is de eeuw van de stad: sinds het begin van het millennium woont meer dan de helft van de wereldbevolking insteden. Nadenken over de stad is dan ook van groot belang. Wat is een stad eigenlijk? Welke rol spelen economie, politiek en ruimte in de stedelijke ontwikkeling? Hoe beleven bewoners en bezoekers de stad? Hoe gaan stadsbestuurders om met pluriformiteit en duurzaamheid? En waarin verschillen steden in het Globale Zuiden van die in Europa? Deze en tal van andere vragen worden in dit inleidende studieboek beantwoord aan de hand van theoretische inzichten, recente onderzoeksresultaten en praktijkvoorbeelden. Zo maakt de lezer kennis met het denken van Foucault, Simmel en Sennett, terwijl hij tevens een bezoek brengt aan tuindorpen, smart cities en de straten van Yogyakarta.

    Visies op de stad is bestemd voor studenten van universiteiten, hogescholen en trainingsinstituten, maar ook voor iedereen die meer wil weten over de fascinerende wereld van de stad.

  • Nederland verbouwt de verzorgings-en verzekeringsstaat fundamenteel. Dit essay analyseert dit proces, de problemen, de kansen, de lege retoriek en doet aanbevelingen. Burgers leunen verwend achterover, maar nemen ook toenemend onverwachte initiatieven (burgerkracht). De overheid stuurt en regelt gulzig voorwaarts, samen met een paternalistische polder, maar zou anders willen en erkent het probleem van het gebrek aan burgermacht. Maatschappelijke ondernemingen schuilen nog allereerst bij de overheid, maar sommigen worden ook partner van burgerinitiatief. Enige citaten:

    'De burger wordt nieuwe mores geleerd: meer risico's, meer eigen bijdragen, minder rechten, nog steeds plicht tot deelname aan collectiviteiten'

    'De overheid kiest niet rechtstreeks voor burgers, maar reorganiseert eerst zichzelf'

    'Een terugkeer naar overheidsfilantropie'

    'De maatschappelijke onderneming is nu een private façade voor dwingend en falend overheidsbeleid'

    'Nieuw rendements denken: van new public management naar public value management'

    'Naar echte burgermacht via wettelijke rechten op experiment en initiatief, uitdagen van bestaande instellingen en overnemen dienstverlening'

    'Het gaat ook om burgerschap in de boardroom'

    'Maatschappelijk leiderschap op alle instituten is hard nodig'


    De Public SPACE Foundation (2004) (www.publicspace.nl) bepleit als onafhankelijke denktank de inzet van maatschappelijk ondernemerschap en actief burgerschap in de publieke sector. Vanaf 2012 droeg Public SPACE bij aan het debat over de transformatie van de Nederlandse verzorgingsstaat door het initiatief te nemen voor een eigen debat; centraal staat daarbij de spanning tussen de huidige officiële inzet op actief burgerschap en het tegelijk negeren en uithollen in overheidsbeleid van de maatschappelijke ondernemingen. Dit betreft zorg- en onderwijsinstellingen, woningcorporaties, pensioenfondsen en publieke omroepverenigingen, zelf resultaat van klassiek burgerinitiatief.

  • Was Nederland kampioen Europese integratie tot het referendum over de Europese Grondwet in 2005? En is sindsdien alles en iedereen eurosceptisch geworden? Tien jaar na het referendum laat het boek Van Aanvallen! naar verdedigen? De opstelling van Nederland ten aanzien van Europese integratie, 1945-2015 zien dat er voor én na 2005 verschillend tegen Europese integratie werd aangekeken. Daarmee is dit het eerste boek dat een uitgebreid overzicht biedt van de Europese opstelling van de belangrijke politieke spelers in Nederland: van partijen, belangengroepen, regeringen en kiezers tot rechters, media, parlement en Nederlanders in Europese dienst. Juist nu door de schuldencrises het aanzien van Europa is aangetast en de integratieontwikkeling ter discussie is komen te staan, is helder inzicht gewenst in de ontwikkeling van de Nederlandse opstelling ten aanzien van Europese integratie.

  • De afgelopen jaren is het vertrouwen van burgers in de politiek sterk gedaald. Aan de vele verklaringen voor deze ontwikkeling voegt Gabriël van den Brink een nieuw element toe. Hij meent dat professionele politici zich te eenzijdig op machtsuitoefening en juridische regels richten, met als gevolg dat het politieke bedrijf een morele leegte vertoont. Dat is des te ernstiger omdat de samenleving juist het omgekeerde laat zien. Onder burgers, professionals en ondernemers neemt de morele gevoeligheid geleidelijk toe. Dat uit zich deels in initiatieven buiten de parlementaire politiek om, deels in een leegloop van het politieke midden, waarbij de belangstelling naar meer populistische partijen aan de linkerzijde of rechterzijde van het politieke spectrum gaat. Deze paradoxale situatie vloeit mede voort uit de modernisering van Nederland, een proces dat van tijd tot tijd op gespannen voet staat met de morele gevoelens die de mens van nature bezit.

  • Iedereen weet dat kennis in de huidige samenleving een strategische betekenis heeft. Maar wat moeten we onder kennis verstaan? Sommigen denken vooral aan het soort inzichten dat aan universiteiten wordt voortgebracht. Anderen doelen op kennis die voor het oplossen van maatschappelijke problemen kan worden gebruikt. En weer anderen verwijzen naar inzichten van morele of filosofische aard.

    Na veertig jaar onderzoek in diverse takken van wetenschap te hebben gedaan, brengt Gabriël van den Brink zijn denkbeelden in dit essay bijeen. Hij stelt niet alleen een originele definitie van weten in meer algemene zin op, maar ontwerpt ook een typologie waarbij hij onderscheid aanbrengt tussen het disciplinaire, het professionele, het publieke en het intieme weten. Verder vraagt hij zich af wat er bij de wisselwerking tussen deze vormen van weten gebeurt en stelt hij een andere taakopvatting van de universiteit voor.

  • Illegale wietplantages, mensenhandel, XTC-labs, grootschalige fraude - de georganiseerde criminaliteit grijpt om zich heen in Nederland. Bestuurders worden geïntimideerd, ondernemers worden medeplichtig gemaakt en kwetsbare burgers worden uitgebuit. De samenleving wordt ondermijnd. Politie en justitie kunnen het probleem niet alleen aan. Conventionele methoden van opsporing en vervolging schieten te kort. Daarom zoeken medewerkers van de Nationale Politie, het Openbaar Ministerie, de Belastingdienst en gemeenten naar strategische en innovatieve manieren om criminaliteit te bestrijden. Op tal van plekken in het land werken deze pioniers samen om criminelen te raken waar ze het meest kwetsbaar zijn.

    Maar pionieren in de publieke sector is niet eenvoudig. Hoe agendeer je bijvoorbeeld problemen die onzichtbaar en ongrijpbaar zijn? Hoe formuleer je gezamenlijke doelen, terwijl de betrokken partijen allemaal hun eigen belangen en prioriteiten hebben? Hoe krijg je toestemming voor het testen van een nieuwe aanpak waarvan het succes niet gegarandeerd is? Hoe regel je capaciteit in tijden van schaarste? En hoe weet je of een nieuwe aanpak succesvol is wanneer effecten moeilijk meetbaar zijn?

    Dit boek analyseert dergelijke strategische uitdagingen en introduceert inzichten uit de bestuurskunde en de organisatie- en managementwetenschappen om daar effectief mee om te gaan. Het bevat tientallen concrete casus uit de praktijk en handzame kaders met vragen en tips. Het is geschreven voor innovatieve professionals en managers in de publieke sector in het algemeen - en voor hen die werkzaam zijn in de veiligheids- en justitieketen in het bijzonder.

  • Nederland kent een sterk ontwikkelde civil society. Al eeuwenlang gonst en bruist het van burgerinitiatieven, van gildes tot zorgcoperaties, van weeshuizen tot de Eigen Kracht Centrale. Niet het passief volgen van de machthebbers of gezagsdragers, maar het naar eigen inzicht bijdragen aande bloei van de samenleving: het is vanouds één van de pijlers van de Europese ontwikkeling. Geloofsgemeenschappen of religieus geïnspireerde enkelingen namen daarin vaak het voortouw. In Nederland leidde dat tot de fameuze 'verzuiling'. In de tweede helft van de 20e eeuw heeft de verzorgingsstaat een steeds grotere zeggenschap over al deze initiatieven gekregen. Zo sterk zelfs dat aan het begin van de 21e eeuw de vraag opkwam waar de eigen kracht van de samenleving gebleven was. Daarmee brak een tijdperk van herwaardering van burgerinitiatieven aan. In dit boek maken wij de balans op. Hoe staat onze civil society erbij? En waar is de bezielende kracht van onze maatschappelijke organisaties gebleven? Zijn wij aan ons individualisme ten prooi gevallen of is er sprake van hernieuwde, nu ontzuilde, bezieling die bijdraagt aan nieuwe gemeenschapszin en een nieuwe, krachtige civil society, in een participatiesamenleving?

  • De overheid handelt steeds meer als partner in netwerken en hanteert maatwerk in plaats van standaardregels. Maar wat betekent dat voor de interne organisatie van overheden? Dit boek laat in tien omkeringen zien hoe de werking van overheidsorganisaties binnenstebuiten wordt gekeerd. Na honderd jaar lijken de zo vertrouwde kenmerken van Webers bureaucratiemodel achterhaald. Het karakter van overheidsorganisaties wordt tegenwoordig meer bepaald door tegenoverstelde kenmerken: van regelorganisatie naar casusorganisatie.

    Voorbij de eeuw van bureaucratie neemt de lezer mee naar de geleidelijke ontwikkeling van de casusorganisatie en naar de bestuurskundig-theoretische achtergronden: waarom willen overheden dit eigenlijk? Ook de dagelijkse praktijk komt aan de orde: wat verandert er concreet in de positie van de professional, de verhouding tussen medewerkers, sturing en management, verantwoording, de aard van het werkproces en ons gedrag?

    Dat maakt dit boek boeiend voor wie de actuele ontwikkeling van overheidsorganisaties wil begrijpen én voor wie er in de eigen praktijk vorm aan wil geven.

  • Deze speciale editie in de reeks Lessen uit crises en mini-crises gaat specifiek in op het thema evenementen. De publicatie bevat een beschouwing van negen casus die eerder aan de orde kwamen in de jaarboeken van het lectoraat Crisisbeheersing en nu in één publicatie zijn samengebracht. Aan bod komen de troonswisseling (2013) en de Grand Depart van de Tour de France (2015), alsook een aantal traditionele en eigentijdse lokale evenementen: van het paasvuur in Espelo, het Dicky Woodstockfestival in Steenwijkerwold tot de hindernissenloop VenloStormt.
    Bij verschillende van deze evenementen deed zich een ernstig incident voor. Maar de selectie bestaat ook uit een aantal succesvol verlopen evenementen. De auteurs beschouwen de gebeurtenissen aan de hand van de bestuurlijke en operationele dilemma's die speelden. De casus worden voorafgegaan door een inleidend hoofdstuk waarin wordt ingegaan op de processen die zich bij grote evenementen voordoen. Met de negen praktijkvoorbeelden biedt deze publicatie daarmee handvatten voor de voorbereiding op evenementen.

    De publicaties in de reeks Lessen uit crises en mini-crises zijn bedoeld voor bestuurders en professionals werkzaam op het terrein van crisisbeheersing en veiligheidsmanagement. Deze speciale editie kwam tot stand onder redactie van Vina Wijkhuijs en Menno van Duin.

  • Het actuele denken over de natiestaat wordt beheerst door een tweetal armoedige beelden. Dominant is het beeld van de natiestaat als economische onderneming. Het gaat hier om een neoliberale drift die de gemeenschap hoofdzakelijk beziet als een bedrijfshuishouding: de BV Nederland. Dit heeft inmiddels een tegenreactie uitgelokt in de vorm van virulent populisme. Angst voor het vreemde en een diep verlangen naar een afgegrendelde, 'authentieke gemeenschap' typeren de populistische kramp.

    Dit boek analyseert hoe we in deze heilloze spagaat van drift en kramp terecht zijn gekomen, om vervolgens op zoek te gaan naar een meer inspirerend toekomstbeeld . Hierin staat het begrip maatschappelijke veerkracht centraal. De studie laat zien dat er nieuwe gemeenschappen in de maak zijn, die zich oriënteren op een maatschappelijke orde voorbij de natiestaat. Verzet tegen neoliberalisme, toewijding aan maatschappelijk experiment en inspiratie vanuit neosociale verbeeldingskracht zijn daarbij leidende noties.

  • Vaak zien we samenwerking als de ultieme mogelijkheid om complexe problemen in een complexe omgeving aan te pakken. Denk aan professionals die samen gezinnen ondersteunen waar de problemen zich opstapelen. Of aan gemeenten en maatschappelijke partners die een 'sluitende aanpak' ontwikkelen om de participatie van jongeren te verbeteren. Niet zelden lopen samenwerkingsverbanden stuk, omdat deelnemende partijen niet in staat blijken 'over hun schaduw heen te springen'. Zij stellen het eigen belang boven het gezamenlijke doel. Samenwerken wordt dan een probleem in plaats van de oplossing.

    In dit boek gaan de auteurs in op het probleem samenwerken. Zij laten zien dat het welhaast onvermijdelijk is dat samenwerking niet het ultieme gezamenlijke resultaat oplevert. Dat is niet erg. Het is de consequentie van de tijd waarin we leven. Wie de verwachting van de ultieme samenwerking overboord weet te zetten, heeft de mogelijkheid om samen met anderen de eigen doelen dichterbij te brengen.

    Dat is dan ook de kern van dit boek. Aan de hand van wetenschappelijke inzichten en voorbeelden uit de praktijk schetsen en verklaren de auteurs eerst de weerbarstigheid van het samenwerken. Vervolgens biedt het boek een concrete uitleg over de vraag hoe het vastlopen van een samenwerking te voorkomen of hoe deze vlot te trekken.

    Daarmee is het boek een leerzame handleiding voor iedereen die meer wil halen uit samenwerking. Daarbij geldt het motto: in een moderne samenwerking weet je wel waar je heen wilt, maar niet waar je uitkomt.

  • In de Digitale Kooi volgen we Saskia, Pieter en Esther, die elk getroffen lijken te worden door het noodlot. Ze komen terecht in een ongelooflijke, maar waargebeurde Kafkaëske strijd met een anonieme overheid. Saskia moet haar gestolen auto APK laten keuren. Omdat ze dat niet kan wordt ze meer dan tien jaar achtervolgd met boetes en raakt in de schulden. En als modelburger Esther teveel voor haar werk in het buitenland is, verliest ze vrijwel alles. Van haar parkeervergunning en stemrecht tot de mogelijkheid om een factuur te sturen voor haar bedrijf. Als in een Kafka-roman ontdekken we eerst dat niemand echt begrijpt hoe de automatisering van de overheid werkt en iedereen denkt er niets aan te kunnen doen. Langzaam ontdekken we hoe registraties en gegevensuitwisseling geen neutrale spelers zijn in de handen van meer of minder goedwillende ambtenaren, maar dat met onwetendheid en achteloosheid een digitale kooi is gebouwd die een steeds grotere groep mensen onzichtbaar gevangen houdt.

    Informatiedeling is de ruggengraat van overheidsdienstverlening geworden, maar we zijn de controle over deze informatie kwijtgeraakt. We weten niet wie er gebruik maakt van onze persoonsgegevens, we weten veelal niet wie er informatie over ons verzamelt, en we hebben geen idee over de gevolgen die een foute registratie kan hebben. Ook de overheid zelf is het overzicht volledig kwijtgeraakt. In dit boek laten we zien dat informatiearchitectuur de overheid blind heeft gemaakt voor de problemen van burgers en onmachtig heeft gemaakt om fouten te herstellen en maatwerk te leveren. Zowel burger als overheid zijn gevangen in een digitale kooi. Om hieraan te ontsnappen formuleren we ´algemene beginselen van behoorlijke ICT' die de burger weer een stem en een centrale plaats geven in de digitale overheid.

  • Rechtshandhaving is tegenwoordig vaak een kwestie van multidisciplinaire samenwerking, waarbij het openbaar bestuur, Justitie en private partijen zijn betrokken. Zij werken samen in ketens en netwerken. Drie disciplines zijn in vrijwel elk samenwerkingsverband aan de orde: straf- en sanctierecht (omdat dat de harde kern is van handhaving), keteninformatisering (omdat informatie moet worden uitgewisseld in en tussen ketens) en gegevensbescherming (privacy). Het unieke van dit boek is dat het een kennismaking biedt met deze drie perspectieven in hun onderlinge samenhang. Op een laagdrempelige manier brengt het theorie en praktijk bij elkaar.

    Het boek helpt adviseurs, bestuurders, enterprise architecten, informatici, managers, professionals, programmamanagers en projectleiders om meer grip te krijgen op de keteninformatisering waaraan of waarmee zij werken.

    `Inspirerend, rijk en uiterst verhelderend' - Corien Prins, voorzitter Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) en hoogleraar recht en informatisering, TILT/Universiteit Tilburg

    `Een fantastisch boek: heel toegankelijk en wat mij betreft verplichte kost voor iedereen in de strafrechtketen.' - Hugo Hillenaar, Directeur Strafrechtketen

  • Burgers, bestuur en brandweer zet een eerste stap in het `meten' van de waarde van brandweerzorg en het bekijken van het potentiële gebruik van die waardering bij bestuurlijke keuzes. Maatschappelijke besluitvorming over de brandweer is gebaat bij onderbouwde afwegingen tussen kosten enerzijds en (de waardering van) de opbrengsten anderzijds. Het principe van de maatschappelijke kosten-batenanalyse als instrument voor het beoordelen van risicobeleid vormt het vertrekpunt. De baten zijn daarin de veiligheidsopbrengst en de waarde die de maatschappij daaraan toekent. Dat kan gaan om waardering van telbare opbrengsten in termen van minder slachtoffers of schade, maar ook opbrengst in de zin van de waardering van burgers voor de paraatheid van de brandweer. Dit boek beschrijft de resultaten van een vijftal waarderingsstudies, waaronder de betalingsbereidheid voor snellere opkomsttijd, de waarde van een statistisch mensenleven (VOSL) bij brandveiligheid en een keuzeexperiment over brandweerbeleid onder burgemeesters. Het onderzoek laat onder andere zien dat burgers en bestuurders vooral waarde toekennen aan een parate brandweer en een gegarandeerde uitruk. De resultaten kunnen door iedereen die zich bezighoudt met fysieke veiligheid gebruikt worden bij beleidsvraagstukken rondom brandweerzorg.

  • De Europese Unie heeft veel invloed, maar Europese beïnvloeding is een vak apart. Dit boekje bespreekt hoe dit komt en hoe het beter kan.

    Professionals bij bedrijven en overheden werken dagelijks aan betere Europese regels en toezicht, subsidies of samenwerkingsverbanden. In die wisselwerking tussen het lokale, nationale en internationale niveau wordt er soms verkeerd verbonden. Want Europa kent een eigen taal en timing. Goede plannen lijden soms onder tunnelvisie. En er is een taboe op terugkijken. Gelukkig is er een gereedschapskist vol instrumenten voor grip. Daarvoor moet je actief inzetten op vooruitzien, vertalen, verbinden en verantwoorden.

    Dit boekje is bedoeld voor iedereen die meer wil weten over hoe de Europese Unie in de praktijk werkt. Als burger en kiezer, als ambtenaar, student, docent, manager of belanghebbende.

    Mendeltje van Keulen is lector (`praktijkprofessor') aan de Haagse Hogeschool. Grip op Europa is een rode draad in haar
    werk. Als Europees bestuurskundige was ze verbonden aan Instituut Clingendael en de Wetenschappelijke Raad voor het
    Regeringsbeleid. Ze promoveerde op een onderzoek naar het Nederlandse Europabeleid en was griffier van de
    commissie Europese Zaken in de Tweede Kamer. Ze doet onderzoek naar de werking van de Europese Unie en geeft trainingen aan studenten en professionals bij overheden en in het bedrijfsleven.

  • Rangordeningen maken is een populair tijdverdrijf. Nederland is dol op lijstjes. Veel burgers raken in de ban van competities en `ranking the stars'. Hitparades behoren tot de best gelezen stukken. Benchmarking past bij die interesse. Dergelijke analyses leveren onder meer een hitlijst op, zoals bijvoorbeeld van gemeenten, woningcorporaties, opleidingen, ziekenhuizen of zorgcentra. Benchmarking impliceert het vergelijken van organisaties op prestaties en kwaliteiten, het rangordenen, het verklaren van verschillen in resultaten en het zoeken naar aanwijzingen voor de beste praktijken. Dit onderzoek komt veel voor. Benchmarking is vooral bedoeld om te leren en verbeteren.

    Dit boek geeft inzicht in hoe een benchmark op te zetten, wat daarbij komt kijken, wat je niet moet doen en wat de toepassing oplevert. Wat moet gebeuren om de beste te worden? En hoe blijf je weg uit de achterhoede of middenmoot?

    Een nuttig boek voor wie streeft naar verbetering en vernieuwing en ook voor wie wil graven naar achterliggende veronderstellingen. Een must read voor vernieuwers en aanbevolen voor ambtenaren, onderzoekers en consultants en voor studenten van opleidingen bedrijfskunde, bestuurskunde of overheidsmanagement.

empty