Boom Juridische uitgevers

  • In deze Boom Basics staat het Internationaal privaatrecht centraal.

    De Boom Basics geven je snel inzicht in een rechtsgebied. Door de duidelijke schema's, de puntsgewijze uitleg en de sprekende voorbeelden kom je direct tot de kern van de zaak. Perfect voor tentamenvoorbereiding of een snelle opfrissing van je kennis!

  • De Boom Basics geven je snel inzicht in een rechtsgebied. Door de duidelijke schema's, de puntsgewijze uitleg en de sprekende voorbeelden kom je direct tot de kern van de zaak. Perfect voor tentamenvoorbereiding of een snelle opfrissing van je kennis!

    De Boom Basics zijn bestemd voor studenten die een juridische opleiding volgen aan een universiteit of hogeschool.

  • In deze Boom Basics staat het Burgerlijk procesrecht centraal. Er is uitgegaan van inwerkingtreding van onderdelen van de KEI-wetgeving en de Spoedwet KEI.

    De Boom Basics geven je snel inzicht in een rechtsgebied. Door de duidelijke schema's, de puntsgewijze uitleg en de sprekende voorbeelden kom je direct tot de kern van de zaak. Perfect voor tentamenvoorbereiding of een snelle opfrissing van je kennis!

  • In deze Boom Basics staat het verbintenissenrecht centraal.

    De Boom Basics geven je snel inzicht in een rechtsgebied. Door de duidelijke schema's, de puntsgewijze uitleg en de sprekende voorbeelden kom je direct tot de kern van de zaak. Perfect voor tentamenvoorbereiding of een snelle opfrissing van je kennis!

    De Boom Basics zijn bestemd voor studenten die een juridische opleiding volgen aan een universiteit of hogeschool.

  • De exhibitieplicht zoals geregeld in artikel 843a Rv is inmiddels niet meer weg te denken uit het Nederlandse procesrecht. De precieze reikwijdte van de regeling is echter nog steeds niet helemaal duidelijk en vormt veelvuldig onderwerp van debat. In het debat over de reikwijdte van artikel 843a Rv mist een discussie over de vraag naar de extraterritoriale reikwijdte van artikel 843a Rv. In deze monografie wordt ingegaan op de complicaties die kunnen optreden bij een grensoverschrijdende toepassing van de Nederlandse exhibitieplicht. Daarbij wordt toegespitst op de situatie waarin een in Nederland gevestigde bank op basis van artikel 843a Rv wordt verzocht inzage te geven in bankafschriften van rekeningen die worden aangehouden bij een buitenlandse vestiging van die bank. Banken worden steeds vaker geconfronteerd met dergelijke inzageverzoeken in het kader van grensoverschrijdende fraudes. Door zicht te krijgen op de geldstromen probeert de benadeelde van fraude het spoor van de fraudeur te volgen teneinde het weggesluisde vermogen terug te kunnen halen. De aangezochte bank kan met een grensoverschrijdend gebod van de Nederlandse rechter in een lastige positie worden gebracht indien zij in de betreffende jurisdictie een wettelijke geheimhoudingsplicht heeft en schending van die geheimhoudingsplicht civielrechtelijke, strafrechtelijke en/of bestuursrechtelijke vervolging met zich mee kan brengen. Hoe dient daar mee te worden omgegaan?

    Cathalijne van der Plas is advocaat bij Hcker Advocaten te Amsterdam en universitair docent aan de Universiteit van Amsterdam. Zij is sinds enige jaren lid van FraudNet, het door de ICC opgezette wereldwijde netwerk van advocaten die gespecialiseerd zijn in de bestrijding van internationale fraude. In 2005 promoveerde zij op een proefschrift over de taak van de rechter en het IPR.

    De Studiekring `prof. mr. J. Offerhaus is in 1962 opgericht ter gelegenheid van het afscheid van prof. mr. J. Offerhaus als hoogleraar handels- en faillissementsrecht en internationaal privaatrecht aan de Universiteit van Amsterdam. De leden van de kring zijn niet alleen verbonden aan wetenschappelijke instituten, maar de kring is ook stevig geworteld in de rechtspraktijk. Het doel dat met de `Offerhauskring voor ogen staat, is het bevorderen van de rechtswetenschap en de onderlinge gedachtewisseling van haar leden op het terrein van het privaatrecht en het internationaal privaatrecht, als ook het publiceren over genoemde onderwerpen, in het bijzonder naar aanleiding van de in de Studiekring gehouden voordrachten en discussies.

  • Schrijfvaardigheid in de rechtspraktijk biedt een handleiding voor het schrijven van effectieve teksten in een juridische beroepspraktijk. In dit boek staan adviezen voor kort en bondig formuleren, voor een heldere opbouw van een tekst, voor een overtuigende presentatie van argumentatie en voor een adequate weerlegging van argumenten van anderen. Het boek bevat vele voorbeelden die aan de beroepspraktijk zijn ontleend. De oefeningen die in ieder hoofdstuk zijn opgenomen, maken het mogelijk om het geleerde direct in praktijk te brengen.

    Janne Maaike Gerlofs en Janneke Valbracht werken al jaren als communicatietrainer in de juridische beroepspraktijk. Ze verzorgen diverse cursussen schrijf- en argumentatievaardigheid.

  • De praktijk leert ons dat een opgebouwd familievermogen na twee generaties in veel families is verdampt. Wat doen families die al verschillende generaties vermogen succesvol overdragen anders, dan families die hierin falen? Deze vraag stond centraal in het kwalitatieve onderzoek Vermogens overdracht in Nederland. Door diepte-interviews met vermogende erfgenamen achterhaalden wij hoe zij zijn opgegroeid, zijn voorbereid op het toekomstige familie kapitaal en wat hun ervaringen met geërfd vermogen zijn. Eenonderzoek van deze omvang en diepgang heeft in Europa nog niet eerder plaatsgevonden.

    Door onvoldoende voorbereiding en communicatie, onduidelijkheden en ruzies kan enkel al de afwikkeling van een nalatenschap een drama worden. Veel erfgenamen ervaren door onvoldoende financiële kennis en ervaring moeilijkheden bij het beheer van hun erfenis. Ook leidt de erfenis regelmatig tot relatieproblemen en problemen met zingeving.

    In de `oude wereld concentreren vermogende families en hun adviseurs zich vooral op Estate Planning waarbij de fiscale en juridische techniek centraal staat om belasting te besparen. In de `nieuwe wereld komt daar een extra element bij: optimale voorbereiding van de volgende generatie op de kansen en verantwoordelijkheden van het vermogen.

    `Dit boek is een absolute must voor vermogende families die streven naar een combinatie van behoud van het vermogen en harmonieuze familieverhoudingen.
    Prof. dr. Frans Sonneveldt - estate planner

  • Markttoezichthouders zijn niet meer weg te denken uit onze maatschappij. Me t hun opdracht om marktfalen op te lossen en tegen te gaan , spel e n z ij een belangrijke rol i n d e behartiging van publieke belangen. De financiële crisis heeft het belang van goed markttoezicht benadrukt. Tekortkomingen van het toezicht die de cri s is heef t blootgelegd en de her vormingen die hierop zijn gevolgd, hebben geleid tot de vraag of het toezicht wel op de juist e fundamenten is gebouwd.

    In dit boek worden de beginselen van goed markttoezicht gedefinieerd e n verklaard, en uitgewerkt voor het toezicht op de financiële markten. Met behulp van inzichten uit d e economie en de bestuurskunde wordt vanuit een juridisch perspectief een aantal beginselen geformuleerd die aan de basis moeten staan van de inrichting en vormgeving van markttoezicht. De dilemmas die zich hierbij voordoe n , zij n te herleiden tot het spanningsveld dat een rode draad vormt i n he t onderzoek van wat ook wel de `Ut rechtse School wordt genoemd, namelijk het spanningsveld tussen de instrumentele functie en de waarborgfunctie van het economisch publiekrecht. Aan dit spanningsveld wordt bij de uitwerking van de beginselen van goed markttoezicht richting gegeven. Dit geldt in het bijzonder voor het onafhankelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel en het accountabilitybeginsel, die als kernbeginselen diepgaand worden uitgewerkt. Hierbij worden aanbevelingen gedaan die enerzijds strekken tot het versterken van de onafhankelijkheid van de markttoezichthouder en anderzijds tot het versterken van de accountability en transparantie van de markttoezichthouder. Vanuit dit uitgangspunt kan verder worden gebouwd aan de zelfstandige rol van markttoezichthouders in onze maatschappij.

    Margot Aelen schreef dit boek als promovenda bij de vakgroep Economisch Publiekrecht van de Universiteit Utrecht. Momenteel is zij werkzaam al s toezichthouder specialist bij De Nederlandsche Bank.

  • Vóór 1992, het jaar van de inwerkingtreding van de belangrijkste delen van het huidige Burgerlijk Wetboek, kon de Nederlandse wetgever bij zijn wetgevende arbeid ten aanzien van het vermogensrecht nauwelijks rekening houden met de ontwikkelingen van het computertijdperk. Intussen valt deze technologie niet meer weg te denken. Rechtsbetrekkingen tussen burgers worden in toenemende mate vormgegeven door communicatie op afstand en door de ruime beschikbaarheid van informatie. Ook het privaatrecht komt dus op verschillende manieren met het gebruik van digitale middelen in aanraking.

    Dit boek is geschreven door medewerkers van de vakgroep Privaatrecht en Notarieel recht en de sectie Rechtsgeschiedenis van de Groningse juridische faculteit. Bij deze uitgave zijn de volgende vragen leidend: Zijn de vertrouwde privaatrechtelijke figuren geschikt om `nieuwe rechtsverhoudingen adequaat te beschrijven en te normeren? Biedt de digitale revolutie in privaatrechtelijk opzicht een brave new world, of is het eerder actum agere?
    De bundel sluit door deze vraagstelling bewust aan bij het Groninger onderzoeksprogramma Hanteerbaar Privaatrecht, dat de behoeften van de gebruikers van het privaatrecht centraal stelt. Dat maakt deze rechtswetenschappelijke bundel ook interessant voor de juridische praktijk.

    De tien bijdragen, voorafgegaan door een inleiding, zijn verzameld onder drie themas: Online/Offline, Rechtsvinding en Snelrecht en Virtuele Objecten.

  • De Raad van State heeft het voornemen om de komende jaren een aantal studies ter hand te nemen over het thema rechtsvorming in de democratische rechtsstaat. Met rechtsvorming wordt in dit verband niet alleen op wetgeving en rechtspraak gedoeld, maar meer in het algemeen op het proces waarop maatschappelijke veranderingen in nieuwe rechtsconcepten, ideeën over gerechtigheid en rechtsbeginselen worden vertaald, die ten grondslag moeten liggen aan nieuwe wetgeving en beleid. Op dit moment is dat proces van rechtsvorming en de overheersende positie van wetgeving daarin, voorwerp van debat.

    In dit boek wordt verslag gedaan van een eerste studie die is gericht op het proces van rechtsvorming zelf; op de verschillende mechanismen van rechtsvorming, op de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen en de ordeningsprincipes daartussen. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan de vraag wat de betekenis nog is en nog kan zijn van het primaat van de wetgever.

    Het onderzoek is in opdracht van de Raad van State uitgevoerd door onderzoekers van de Universiteit van Tilburg (Adams, Witteveen, Van der Schyff en De Poorter) en van de Erasmus Universiteit Rotterdam (Mak).

  • Al enkele jaren vindt in Nederland een debat plaats over taak, methode en organisatie van de rechtsgeleerde discipline. Omstreden rechtswetenschap neemt stelling in dit debat. Het besteedt uitgebreid aandacht aan zaken als het doel van de rechtswetenschap, empirisch en klassiek onderzoek, de Nederlandse onderzoekscultuur, de juridische methode en het juridisch onderwijs. Het boek biedt een - soms sterk persoonlijk geïnspireerd - pleidooi voor een internationale en creatieve rechtswetenschap die inzet op waar zij sterk in is: reflectie op wat in onze samenleving behoort.

  • Artikel 110 Grondwet bepaalt dat de overheid bij de uitvoering van haar taak openbaarheid betracht. Er bestaan verschillende vormen van openbaarheid. De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) geeft algemene regels voor de openbaarheid op verzoek van bij bestuursorganen berustende informatie. Verder biedt de Wob volgens recente rechtspraak de grondslag voor het door de overheid uit zichzelf verstrekken van informatie (actieve openbaarmaking).

    In de Grondwet en de organieke wetten zijn bepalingen opgenomen over de mate van openbaarheid van het (inlichtingen)verkeer tussen bestuurders en vertegenwoordigende lichamen (politieke openbaarheid). De belangrijkste vraag daarbij is wanneer een bestuurder, zoals een minister, mag weigeren om inlichtingen te verstrekken of zich mag beperken tot slechts vertrouwelijk verstrekken daarvan. In bestuurlijke voorbereidingsprocedures en in procedures bij de rechter gelden regels over toegang tot relevante stukken (procedurele openbaarheid). In procedures waarbij de overheid partij is, doen zich vragen voor als: welke stukken dient de overheid aan de rechter te verstrekken en onder welke omstandigheden mag de overheid dat weigeren of bepalen dat alleen de rechter van de stukken kennis neemt?

    Dit handboek bevat een uitvoerige beschrijving van de juridische aspecten van ieder van de vormen van openbaarheid, aan de hand van de wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur. Daarmee wordt diepgaand inzicht geboden in de vragen van openbaarheid van overheidsinformatie die bij deze vormen van openbaarheid spelen. Sinds het verschijnen van de eerste druk van dit handboek is een groot aantal nieuwe uitspraken over de toepassing van de Wob verschenen. In de sfeer van gemeenten en provincies wordt meer geprocedeerd over beslissingen tot het opleggen van geheimhouding. Toezichthouders en andere bestuursorganen maken steeds meer gebruik van wettelijke mogelijkheden tot het actief publiceren van sanctiebesluiten en andere toezichtsinformatie. Nieuw is het leerstuk van misbruik van de Wob, waarover de Afdeling bestuursrechtspraak onlangs een richtinggevende uitspraak heeft gedaan.

  • Dit onderzoek richt zich op pro-formazittingen. Dit zijn openbare zittingen in strafzaken die worden gehouden omwille van de inachtneming van de termijnen van de voorlopige hechtenis en waarbij inhoudelijke behandeling van de strafzaak achterwege blijft. Over het nut van proformazittingen bestaat de nodige discussie. Een goed beeld van de praktijk van pro-formazittingen heeft echter tot dusver ontbroken. In deze studie wordt aan de hand van kwantitatief en kwalitatief onderzoek de frequentie, organisatie en praktijk van pro-formazittingen (de regiezitting inbegrepen) bij de rechtbanken en gerechtshoven in beeld gebracht. Tevens wordt gereflecteerd op de daaruit gebleken knelpunten en nagedacht over mogelijke oplossingen.

    Deze studie moet worden bezien tegen de achtergrond van het wetgevingsprogramma Modernisering Wetboek van Strafvordering en meer algemeen de problematiek van de voorlopige hechtenis en de overgang van het voorbereidend onderzoek naar het eindonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het WODC door medewerkers van het Instituut voor Strafrecht en Criminologie van de Universiteit Leiden.

    Uit het onderzoek blijkt dat pro-formazittingen zeer frequent voorkomen terwijl het voortduren van de voorlopige hechtenis niet het enige onderwerp is dat aan de orde komt. Zij worden namelijk ook gebruikt voor het voeren van regie. Vanuit een oogpunt van efficiency bestaan er ten aanzien van pro-formazittingen de nodige knelpunten. Het verrichte onderzoek laat echter een veld in transitie zien. Daarbinnen worden allerlei initiatieven ontplooid die er op zijn gericht de samenwerking tussen zittende magistratuur en Openbaar Ministerie te versterken, mede om de output te vergroten en onnodige aanhoudingen te voorkomen. Er is niettemin behoefte aan spelregels voor wat betreft het voeren van regieben het moment waarop het onderzoek van de rechter-commissaris aan de zittingsrechter wordt overgedragen.

  • Op 22 mei 2015 sprak prof. Willem van Boom zijn oratie uit ter gelegenheid
    van de aanvaarding van de leerstoel Civiel Recht te Leiden. De
    titel `Door meten tot weten' verwijst naar de lijfspreuk van natuurkundige
    Heike Kamerlingh Onnes. Diens borstbeeld met lijfspreuk staat voor
    het Kamerlingh Onnes gebouw, waar inmiddels de Leidse rechtenfaculteit
    is gevestigd. Hoe verhoudt die lijfspreuk `door meten tot weten' zich
    tot het werk dat wordt verricht op rechtenfaculteiten?
    Die vraag is niet eenvoudig te beantwoorden. Het is immers geen evidentie
    dat een rechtenfaculteit zich afficheert als bolwerk van exactheid.
    Juristen houden zich immers vooral bezig met taal, tekst, systematisering,
    logische argumentatie, overtuiging en een betere wereld. Zij
    postuleren normen, debiteren tegeltjeswijsheden, argumenteren met
    verwijzing naar rechtssysteem, wet, rechtspraak, literatuur; maar zelden
    zie je ze meten of verwijzen naar systematische waarneming. Dus wat
    nemen we waar als we op rechtenfaculteiten gaan meten?
    In zijn oratie stelt Van Boom onder meer vast dat meting uitwijst dat rechtenfaculteiten
    `kruispunten' van verschillende wetenschapsopvattingen
    zijn. Rechtswetenschap bestaat uit zoveel meer dan alleen het klassiek
    juridische werk. Dat gegeven heeft consequenties waar rechtswetenschappers
    antwoorden op moeten formuleren. In zijn oratie belicht Van
    Boom een aantal van de uitdagingen die rechtswetenschappers - en dus
    ook privaatrechtswetenschappers - te wachten staan, bijvoorbeeld bij
    het verder verbeteren van de manier waarop zij kwaliteit van onderzoek
    meten.

  • In 2014 zijn de initiële opleidingen tot rechter en officier van justitie vernieuwd. Maatschappelijke veranderingen die hun weerslag hebben op het rechtersambt, vroegen om aanpassing van de 57 jaar oude raio-opleiding. Een belangrijk onderdeel van deze vernieuwde opleiding wordt uiteraard gevormd door het strafrecht. Het strafrecht, en daarmee uiteraard het strafvonnis, heeft als gevolg van maatschappelijke veranderingen een grote ontwikkeling doorgemaakt. Naar aanleidingvan diverse kritieken op de kwaliteit van motiveringen van strafvonnissen en onder invloed van de jurisprudentie van de Hoge Raad is getracht de vonnissen van een kwaliteitsimpuls te voorzien door beslissingen over onder meer de bewijsvraag beter en uitvoeriger te motiveren. Verder zijn als gevolg van een aantal geruchtmakende rechtszaken waarin sprake was van gerechtelijke dwalingen (o.a. Lucia de B.,Schiedammerparkmoord) de bewijsvraag en - in het verlengde daarvan - de waardering van deskundigenbewijs in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. Deze twee aspecten - die sterk verband houden met de wijze waarop heden ten dage een strafvonnis moet worden geconcipieerd - spelen een zeer belangrijke rol in dit boek. Het boek biedt voorts een uitgebreid overzicht van de totstandkoming van een strafvonnis. Daarbij is aandacht voor onder meer de actoren in het strafproces, de belangrijke rechtsbeginselen die het proces beheersen, de rechterlijke oordeelsvorming en de tegenwoordig niet meer weg te denken rechtspraak van het EHRM. De auteurs besteden verder ruim aandacht aan de bijzondere procedures waarmee ook de rechter in opleiding te maken kan krijgen: TBS, voordeelsontneming, VI-zaken, beklag tegen beslag en verzoeken teruggave rijbewijs, etc. Deze uitgave is een compleet handboek, dat niet alleen essentieel is voor de 'nieuwe'rechter in opleiding, maar ook voor elke andere jurist die in het strafrecht werkzaam is en snel en efficiënt inzicht wil krijgen in alle relevante aspecten rond de totstandkoming van een strafvonnis of beslissing in bijzondere procedures.

  • Deze uitgave bevat de afscheidsrede van Prof. Laurens Winkel Professor Emeritus of Legal History aan de Erasmus Universiteit.

  • Projectmanagement in de rechtspraktijk is een inleiding in projectmanagement voor studenten in het hoger juridisch onderwijs. Het behandelt de basiselementen van projectmanagement en biedt de beginnende student inzicht in de wijze waarop projecten en projectmanagement een rol spelen in de rechtspraktijk. Het boek is mede gebaseerd op interviews met professionals uit een breed scala aan organisaties uit de juridische beroepspraktijk over hun ervaringen met projecten en projectmanagement.

  • Het medisch beoordelingstraject is een knelpunt¬ in de afwikkeling van letselschade. Dit boek bevat een verslag van een juridisch empirisch onderzoek naar mogelijkheden ter verbetering van dit medisch beoordelingstraject, welk onderzoek heeft geleid tot de Medische Paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL). Er komt een aantal onderwerpen aan bod ten aanzien waarvan juridische lacunes bestonden, hetgeen tot problemen in het medisch beoordelingstraject leidde. Dat betreft achtereenvolgens (i) de betekenis van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) in letselschadezaken, (ii) de professionele standaard van de medisch adviseur in letselschadezaken en (iii) het blokkeringsrecht uit artikel 7:464 lid 2 BW. Ook komt de inhoud en het totstandkomingsproces van de Medische Paragraaf aan bod; het boek geeft inzicht in de empirisch juridische methodologie van juridisch handelingsonderzoek aan de hand waarvan de Medische Paragraaf in nauwe samenwerking met de letselschadepraktijk tot stand is gekomen en illustreert het belang van deze onderzoeksmethode voor de ontwikkeling van private regulering.

    Annelies Wilken (1979) studeerde Nederlands recht aan de Rijksuniversiteit Groningen. Na haar afstuderen in 2002 is zij als advocaat werkzaam geweest bij Houthoff Buruma te Amsterdam. Sinds 2008 is zij binnen de afdeling privaatrecht van de Vrije Universiteit Amsterdam werkzaam als docent onderzoeker en doet zij onderzoek naar het medisch beoordelingstraject in letselschadezaken. Daarnaast is zij sinds 2011 als lid-jurist verbonden aan het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam. Annelies Wilken is auteur van de Medische Paragraaf bij de Gedragscode Behandeling Letselschade (GBL).

  • Op 31 mei 2013 vond in Amsterdam de voorjaarsvergadering van de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht (NVvP) plaats. Het onderwerp van deze vergadering was 'Arbitragerecht, op de scheidslijn van oud naar nieuw'.

    Als inleiders traden op:

    prof. mr. H.J. Snijders, hoogleraar Burgerlijk Recht en Burgerlijk Procesrecht aan de Universiteit Leiden
    mr. W.H. van Baren, advocaat te Amsterdam en lid (voorzitter) van het bestuur van het Nederlandse Arbitrage Instituut (NAI)
    prof. mr. G.J. Meijer, advocaat te Rotterdam en hoogleraar Arbitration & Dispute Resolution aan de Erasmus School of Law te Rotterdam.

    Deze vergadering in mei 2013 stond in het teken van het inmiddels - per 1 januari 2015 - in werking getreden nieuwe arbitragerecht. Voor dit deel inde serie van uitgaven van de NVvP is daarom voor een afwijkende formule gekozen. Professor Snijders en professor Meijer voorzien in deze uitgave de arbitragewetgeving zoals die inmiddels zijn beslag heeft gekregen van commentaar.

  • De Europese Unie begon in 1951 als economisch samenwerkingsverband en nog altijd is economische integratie een belangrijke doelstelling. Maar anno 2017 is de Europese Unie veel meer dan een puur economisch samenwerkingsverband: de bevoegdheden strekken zich thans uit tot vele terreinen. Ook op strafrechtelijk terrein zijn aan de Europese Unie bevoegdheden toegekend, waaronder de bevoegdheid om gelijkluidende (minimum)normen van straf(proces)recht te creëren en de bevoegdheid om afspraken vast te stellen voor samenwerking tussen EU-lidstaten bij de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten en bij de tenuitvoerlegging van sancties.

    In deze inaugurele rede laat de auteur zien dat de strafrechtelijke bevoegdheden van de Europese Unie hun grondslag vinden in de doelstelling van economische integratie. Verdragsrechtelijk gezien behoort strafrechtelijke EU-regelgeving steeds ten dienste te staan van de verwezenlijking van een interne markt waarin het vrij verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal is gewaarborgd.

    De auteur betoogt dat deze economische grondslag niet langer houdbaar is en pleit voor normatieve grondslagen voor Uniestrafrecht. Zij stelt dat een normatief gefundeerd Uniestrafrecht beter aansluit bij wat de Europese Unie in de eerste plaats wil zijn: een gemeenschap van waarden en beginselen.

  • De wetgever roemt de snelheid, toegankelijkheid, professionaliteit en attitude van de kantonrechter. Mede om die reden is de competentie van de kantonrechter in 2011 verruimd ten koste van de civiele rechter. De vraag is echter of de door de wetgever geroemde eigenschappen de kantonrechter daadwerkelijk onderscheiden van de civiele rechter. Zijn de kantonrechter en de civiele rechter écht verschillende rechters? Geven ze een verschillende uitleg aan het procesrecht? Of hebben ze verschillende opvattingen over wat de taak van de rechter is? Kortom: bestaat de 'veronderstelde 'eigenheid' van de kantonrechter? Aan de hand van dossieronderzoek en interviews met (kanton)rechters worden die vragen in dit proefschrift beantwoord.
    Vervolgens wordt stilgestaan bij de vraag welke consequenties de gevonden verschillen en overeenkomsten hebben voor de kwaliteit van het civiele proces. Gaat het om eigenheden die als voorbeeld kunnen dienen of gaat het om eigenaardigheden die aanpassing behoeven? Om deze vraag te kunnen beantwoorden wordt een kwaliteitskader geschetst en worden - in het licht van eerder gedane verbetervoorstellen - aanbevelingen aan de wetgever en de rechterlijke macht gedaan om de kwaliteit van het civiele proces te verbeteren.
    Aldus is dit proefschrift een synthese van empirisch en normatief rechtsplegingsonderzoek.

    Dit is een publicatie in de reeks van het Montaigne Centrum voor Rechtspleging en Conflictoplossing, Universiteit Utrecht.


  • De staat en het gebruik van panden kunnen leiden tot overtreding van de Woningwet, Opiumwet, Huisvestingswet en andere regelgeving. Om deze overtredingen effectief te kunnen aanpakken, hebben gemeentebesturen lange tijd aangedrongen op de introductie van nieuwe handhavingsinstrumenten. Het beschikbare bestuurs- en strafrechtelijke instrumentarium zou namelijk tekortschieten om door huisjesmelkers en andere malafide pandeigenaren veroorzaakte problemen te kunnen bestrijden. De Wet versterking handhavingsinstrumentarium Woningwet uit 2015 beoogt gemeentebesturen meer mogelijkheden te geven om overtredingen tegen te kunnen gaan. Deze wet voorziet onder meer in een uitbreiding van de zorgplicht uit artikel 1a Woningwet, een herziening van de sluitingsbevoegdheid, de introductie van een bestuurlijke boete en een bevoegdheid tot beheerovername. Dit boek toont hoe de wet in de praktijk door gemeentebesturen en -ambtenaren wordt toegepast. Empirisch-juridisch onderzoek laat zien dat de wet een positief effect heeft gehad op de handhaafbaarheid van de Woningwet en de aanpak van malafide pandeigenaren. Tegelijkertijd zijn er nog voldoende juridische en bestuurlijke horden te nemen.


  • Op 14 juni 2017 sprak Eddy Bauw ter gelegenheid van de aanvaarding van het ambt van hoogleraar privaatrecht, in het bijzonder het aansprakelijkheidsrecht, en rechtspleging aan de Universiteit Utrecht zijn inaugurele rede uit. In deze rede signaleert hij dat de bevoegdheden van de civiele rechter, in het bijzonder ten opzichte van de overheid, sinds het begin van de vorige eeuw geleidelijk aan sterk zijn toegenomen en hoe dit aanvaringen met wetgever en bestuur onvermijdelijk maakte; een proces dat sterk is beïnvloed door maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Deze ontwikkeling heeft ertoe geleid dat burgers en belangenorganisaties steeds vaker via de civiele rechter wetgeving en beleid proberen te beïnvloeden. De Urgendauitspraak over het klimaatbeleid is hiervan het bekendste voorbeeld. Aan de hand van deze uitspraak en de hevige discussies die daarop volgden, bespreekt Bauw welke rol de civiele rechter in het huidige tijdsgewricht kan spelen om de democratische rechtsstaat te beschermen en te versterken.

  • De Vakgroep Privaatrecht en Notarieel Recht van de Rijksuniversiteit Groningen organiseerde op 3 oktober 2016 voor de tiende keer het Gronings Letselschadecongres. In zijn openingswoord wees de voorzitter Prof. mr. F.T. Oldenhuis erop hoezeer het onderwerp Schadebegroting anno 2017 in de rechtspraktijk voorwerp van debat is. Prof. mr. T. Hartlief, advocaat-generaal bij de Hoge Raad , zette de toon in: Begroting van personenschade: de (on)begrensde mogelijkheden van art. 6:97 BW. Gaat het in het aansprakelijkheidsrecht werkelijk alleen om schadevergoeding? Gaat het niet ook, misschien zelfs wel primair, om herstel?, zo vroeg hij zich af.
    Prof. mr. M.A. Loth zette dat debat voort in: Herstel in wat? Over de vergoeding van letselschade. Het gaat er niet primair om dat het slachtoffer wordt gebracht (lees: hersteld) in de vermogenspositie van vóór het ongeval, maar of het slachtoffer met zijn of haar capaciteiten na het ongeval een naar eigen inzichten waardevol leven kan leiden, aldus Loth.
    Mr. R.M.J.T. van Dort, Kun je rekenen op de dag van morgen? gaf de aanwezigen inzicht in het complexe berekenen van toekomstschade. De schade dient volledig en concreet te worden vergoed. Bij vergoeding in de vorm van een bedrag ineens spelen vele factoren een rol, zoals rente, inflatie, belastingschade, etc. Van Dort toont zich hier de specialist.
    Mr. J.G. Keizer (SAP Advocaten) en mr. P. Oskam (advocaat bij Kennedy Van der Laan), debatteerden op een bevlogen wijze over waarheidsvinding en fraudebestrijding. Het staat de verzekeraar niet zomaar vrij om in het kader van de claim via internet informatie over het slachtoffer te verzamelen. Daarvoor moet een goede grond aanwezig zijn, en het onderzoek zelf moet ook doelmatig en proportioneel zijn, aldus de auteurs. Actueel dus!
    Bij het Gronings Letselschadecongres is het laatste woord aan de rechter. Dit jaar sprak mr. H. de Hek, senior raadsheer bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, over theoretische en praktische wijsheid, en over geluk. Hij gaf de aanwezigen stof tot nadenken over het belang van vergoeding enerzijds, en het belang van herstel, autonomie en zelfredzaamheid anderzijds.
    De referaten worden - traditiegetrouw - aangevuld met een tweetal externe bijdragen:
    - de bijdrage vanuit de studierichting Aansprakelijkheid en Verzekering aan de Erasmus Universiteit Rotterdam; ditmaal verzorgd door F.F.Anker, J. Duarte en M.C.Samson: Uitkering voor personenschade: som ineens of periodiek?
    - de fraai geschreven Uitleiding door mr. A.H. Blok, advocaat bij BVD-advocaten Veenendaal.

empty