Johan Fabricius

  • DRIE JONGENS.
    EEN GEVAARLIJKE REIS.
    EEN ONVERGETELIJK AVONTUUR.

    Op zee zwalken zonder een streepje land in zicht, de wijde wereld zien, een ontploffing op volle zee... Het klassieke verhaal over Hajo, Rolf en Padde, die met De Nieuwhoorn van schipper Bontekoe in 1618 naar de Oost trekken, is niet weg te denken uit de Nederlandse jeugdliteratuur. Al negentig jaar lang weet het avontuur van de drie scheepsjongens, geïnspireerd op het scheepsjournaal van schipper Bontekoe, jong en oud te boeien.

  • Hotel Vesuvius

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 30 Mei 2013

    Deze luchtige, ietwat satirische roman speelt zich of op het schone eiland Capri, aan de vooravond van de tweede wereldoorlog. De hoofdpersoon is een "verkeerde" jonge Italiaan, Renato Colleoni, die in Hotel Vesuvius op de pof leeft. Hij is fascist, paradeert altijd in de uniform van de partij, doch bezit jammer genoeg voor hem maar een mooi zwart hemd dat hij eens in de veertien dagen wast; hij komt dan niet op straat voordat het droog is. Zijn uniform en partijlidmaatschap dienen hem alleen om de vrouwelijke elementen van de Kraft-durch-Freude toeristen, die het eiland overstromen, in de ban van zijn mannelijke bekoring te brengen. Tot zijn vurige bewonderaarsters behoort ook het slonzige maar goede kamermeisje Nenella, dat hem altijd van zakgeld voorziet en dan zelf platzak is. Rondom deze kleine intrigant beweegt zich een aantal boeiende en merkwaardige figuren: een duitse balling; een schotse kunstschilder; een ezeljongen die verliefd is op Nenella; een belastingbeambte met twaalf kinderen; een postbode die de fascisten op de castor-olie kuur hebben getracteerd, en lest best een portret van Hitler. Achter dit alles hangt de schaduw van dreigende internationale verwikkelingen, waarvan de meeste Italianen echter geen besef hebben. De eenvoudige lieden uit dit boek horen wel de bezeten stemmen van Hitler en Mussolini, maar ze halen hun schouders op, dapper hun best doende om een eerlijke boterham te verdienen, en verbitterd over die bemoeials in Rome, al durven ze daar niet dikwijls voor uit te komen.

  • In een oud smal Amsterdams huis woont een uiteenlopend groepje mensen bijeen: Nel, die beneden een sigarenwinkeltje heeft, haar niet meer jeugdige commensaal Hein, met een wat pijnlijk verleden, een jonge graficus Stan, een keurige juffrouw De Booij, die een bemiddelingsbureautje houdt en - op de zolderverdieping - nog een hard blokkende student.
    Geleidelijk-aan wordt het geheim ontrafeld van een bij de Magere Brug - een steenworp van het huis - opgeviste dode. Weet Hein daar meer van? Het is zijn voorrecht geweest bijna als een liefhebbende vrouw te mogen zorgen voor de door hem vereerde jonge kunstenaar Stan. Tot er een indringer kwam die zijn bescheiden, moeizaam veroverd geluk verstoorde.
    Elk van de figuren uit dit boek belichaamt een grote of kleine menselijke tragedie. Zoals Hein teleurgesteld wordt in zijn - onbewuste - homofiele gevoelens voor Stan, zo is Nel het in haar zwoele verlangen naar Hein, die onmachtig is om een vrouw gelukkig te maken. Ook Stan is op zijn wijze teleurgesteld: hij worstelt vergeefs tegen snobistische stromingen in de moderne kunst.
    Dit is een meedogend boek dat zich laat lezen als een thriller: het heeft de spanning ervan.

  • Johan Fabricius heeft heel wat afgezworven in zijn lange leven. In de herfst van 1945 bracht hij samen met de Sultan van Ternate de mare van de bevrijding en van de onvermijdelijke democratie aan de nog argeloze bewoners van de noordelijke Molukken, In het voorjaar van 1946 vertelde Generaal Mac' Arthur hem dat de Nederlanders het in hun oude kolonie helemaal verkeerd hadden aangepakt.
    In Port Lligat vertrouwde Salvador Dalí hem toe dat hij zich met zijn geliefde Gala zou laten invriezen om na 1000 jaren weer op te staan en nieuwe sensationele schilderijen over een verbijsterde wereld uit te storten. Fabricius bericht over de heilige stad Kairoeaan, waar een arische domineesvrouw uit Hitlers Derde Rijk geconfronteerd wordt met een verontrustend voorbeeld van rassenschande. Tijdens de revolutiedagen op Java bevrijdt hij, gesteund door 2 collega-oorlogscorrespondenten en 90 Ghurka's een belegerd Christendorp; later vist hij forellen in een synthetisch Hollywoods meer; een halve eeuw vroeger ziet hij de dikke koning Foead, vader van de nog dikkere Farouk, in een rijtuig met acht sneeuwwitte schimmels voorbijrijden; daar tussendoor valt hij tijdens een beroemd/berucht PEN-congres in Dubrovnik in ongenade bij Herr Doktor Josef Goebbels.
    Hij duikt in een Japans gemengd bad en is er bij als Java's Japanse opperbevelhebber Yuichiro Nagano in uiterste verlegenheid zijn eeuwenoude samoerai-zwaard loshaakt om het aan de geallieerde overwinnaars af te geven. Hij laat ons kennismaken met Neanderthalers en de geboorte van de kunsten en volbrengt - zij het niet op de schaats - de laatste roemrijke Elfstedentoch; wanneer was dat?

  • Uit een familie-album

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 19 Maart 2013

    De Fabricius-fans hebben al wel eens eerder kennisgemaakt met zijn roemruchte "Oom Pietje", de grote visser uit de familie, en zijn "Tante Grietje", die zich van haar huwelijksnacht zoveel meer had voorgesteld dan haar deel zou worden. Deze keer echter verdiept hij zich ook in de huwelijksperikelen van zijn nichtje Jóchie, naar wier warme mezzo-sopraan de mensen op straat bleven luisteren, maar die het met de liefde ook niet zo trof en, ten einde raad, haar man Roelof Bulders aan een vuurproef onderwierp: een bedwelmend geurend hyacinthenveld, stralend in de lentezon en gestreeld door een verkwikkende zeebries, zou het slagveld worden waarop hij zijn minnevuur moest bewijzen.
    Deze nieuwe bladzijde uit Fabricius' "familie-album" sluit zich in haar lichte humoristische en soms vertederende vorm aan bij het recente "De hoed met de struisveer" waarin hij vertelt hoe zijn moeder - in 1894 - als "handschoentje" naar Indië reisde, waar haar man stond te trappelen om haar in zijn armen te sluiten. En hoe het tijdens de stormachtige ontmoeting haar hoed met de struisveer, een waar pronkjuweel, verging.

  • Fabricius, die nu de vijftig gepasseerd is, heeft een buitengewoon boeiend en onconventioneel leven geleid; en leidt dat tot op zekere hoogte nog. Het begon er al mee dat hij nooit geruime tijd achtereen dezelfde school heeft bezocht: gevolgd van het feit dat zijn ouders nu eens op Java, dan weer in Parijs of ook wel in Holland woonden. Toen hij in Parijs was wilde hij kunstschilder worden. Hij ging naar de Haagse Academie, maar bleef daar niet lang, want al spoedig bekroop hem de lust als oorlogstekenaar de fronten te bezoeken - de eerste wereldoorlog was aan de gang. Hij kreeg toestemming van de toenmalige Oostenrijkse regering en vertrok naar het Italiaans-Oostenrijkse front. Hij tekende daar niet alleen, hij schreef ook brieven naar huis, en zijn vader, de bekende toneelschrijver Jan Fabricius, liet ze lezen aan Johan de Meester, destijds redacteur van De Gids. Deze plaatste er een paar van: de eerste stappen op een literaire loopbaan waren gezet. Voorlopig kwam er echter van boekenschrijven niets. Fabricius bleef tekenen, raakte onder de bekoring van de muziek, en heeft zelfs in die dagen op de planken gestaan. Toen brak de tijd van reizen aan, die op zijn schrijverschap zeer bevruchtend heeft gewerkt. Zijn thans alom bekende romans gingen verschijnen. Charlotte's grote reis, Mario Ferraro's ijdelde liefde, later Komedianten trokken voorbij.
    In zijn memoires, een ernstig woord voor zulk een levenskunstenaar die er daarom het bijvoeglijk naamwoord "vrijmoedige" maar aan heeft toegevoegd, vertelt hij nu van zijn belevenissen in aller heren landen, en brengt hij ons in kennis met de vele boeiende en merkwaardige figuren op allerlei levensgebieden die hij heeft ontmoet. Het is een kostelijk boek geworden. Voortreffelijk geschreven, natuurlijk, maar ook door zijn inhoud verrassend. Zo'n leven te hebben geleid en er zó over weten te vertellen! Fabricius, die het oude adagium van Molière: plaire au public, tot het zijne heeft gemaakt, overlaadt zijn boek niet met kleine bijzonderheden over zichzelf en wie hem na staan. In feite praat hij heel weinig over zichzelf. Hij herschept de toverachtige wereld, waarin hij heeft rondgedoold, die zijn wereld was, waarin hij vaak medespeler, vaak ook geamuseerd toeschouwer is geweest. Dit boek is even onderhoudend als zijn beste roman. Dat hij als romancier nog dikwijls terugdenkt aan zijn eerste liefde, de tekenstift, en het niet bij denken laat, bewijzen de vele tekeningen, het zijn er 130, waarmee hij zijn boek heeft verlucht. Ook de stofomslag is eigen ontwerp.

  • Dit is het portret van een schatrijke Indische mama, uit de vorstenlanden van Java, waarin haar hart nog toeft, naar Den Haag overgeplant en door haar schoonzoon Bob en haar dochter Julie meegenomen op een vakantiereis naar Capri, omdat deze twee het sedert de dood van papa - eens Toewan Besar van de suikeronderneming Gedong Doro - het niet vertrouwd vinden haar alleen in Den Haag achter te laten, waar zij bij een vorige gelegenheid, haar koffie-met-slagroom bij Lensvelt drinkend, een meneer van Drimmeler ontmoet heeft: een toch zo sympathieke heer die alles van aandelen en obligaties afwist en de in zaken minder beslagen weduwe spontaan aanbood, haar bij de belegging van haar kapitaal met raad en daad terzijde te staan.
    De vakantiereis is eigenlijk een uitgestelde huwelijksreis, omdat het jeugdig bruidspaar destijds halverwege Madeira telegrafisch werd teruggeroepen: papa had een beroerte gekregen als gevolg van een familieruzie na het bruiloftsdiner in het Scheveningse restaurant Bali.
    Op mama moet dus een beetje gepast worden en dat blijkt geen sinecure; tijdens de autotocht naar het zuiden zorgt zij, ook al door haar grote openhartigheid in politieke aangelegenheden, voor de nodige complicaties. Op Capri nieuwe moeilijkheden, maar deze keer ook omdat Bob zelf niet ongevoelig blijkt voor de gevaarlijke geest van het Sirenen-eiland. Op het laatst neemt mama's leven een dramatische en zelfs tragische wending - wat er weer toe leidt dat haar schoonzoon, nu een rijk en gezeten man, een nieuw levenspatroon voor zichzelf uitstippelt, terwijl Julie onbewust in de huid van mama kruipt.
    Fabricius neemt u mee naar het Weinhaus Zum Feisten Bacchus aan de Rijn, naar een landelijk hotelletje aan de Zwitserse Wallensee, naar een oud-Tirools Gasthof op de Brenner, waar je de rook en de bierlucht kunt snijden en waar mama geniet van Schuhplattler-dans en Zithermusik, door papa eens zo bemind; dan via Bologna, waar er iets opwindends met mama's juwelen gebeurt, en de Viale del Sole naar Napels en het de schrijver zo vertrouwde Capri, `dit eiland waar niets meer reëel schijnt'.
    Een kleurig boek, humoristisch, maar niet zonder de trieste noot die het zout is dat aan de humor zijn smaak geeft.
    De figuren in Fabricius' nieuwe roman zullen u aan het hart groeien, in de eerste plaats de formidabele mama zelf, die toch zo weinig doet om zich bij u bemind te maken en wier feilen de auteur zo meedogenloos aan het licht brengt.

  • Toernooi met de dood

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 19 Maart 2013

    De nieuwe Fabricius speelt - gelijk zijn Komedianten trokken voorbij en De grote geus - in een vervlogen tijd. Voor zijn Tournooi met de dood heeft hij het Florence uit Boccaccio's dagen gekozen, en met de verve en de dramatische kracht die wij van hem kennen, vertelt hij ons over de Zwarte Dood, de Pest-epidemie van 1348 die, na in Italië honderdduizenden slachtoffers hebben geëist, nog gans Europa zou teisteren.
    De rijken vluchtten uit de besmette steden van Toskane naar hun buitens, waar zij in landelijke afzondering veilig het einde van de Plaag meenden te kunnen afwachten. Na een inzet van waarlijk epische allure zien wij een stoet jonge ruiters uit Florence wegtrekken, om in de villa Quattroventi bij Fiesole het pijnlijk drama van hun tijd zo goed mogelijk te vergeten bij wijn en goede spijzen, bij jacht en liefdesspel. Deze scene en de zorgeloosheid waarmee het jeugdig gezelschap zich tijdens de gedwongen villegiatuur aan de vreugden des levens overgeeft brengen ons Boccaccio's Decamerone in herinnering. De wereld was jong in die dagen: men leefde driftig, vurig. Het sociale bewustzijn was, behalve onder de geestelijkheid, nauwelijks ontwaakt. De rijkaard had koffers vol goud, at en dronk als een vorst, kleedde zich in fluweel, zijde en damast en warm, zacht bont, en beschermde zich met dikke stenen muren tegen de arme, die in lompen ging, honger en koude leed en bedelend de hand ophief.
    Maar de Zwarte Dood, somber oprijzend aan de horizon, hield geen rekening met deze stevig gevestigde sociale orde: stoorde zich aan geen muren of traliewerk. En voor hij op zijn gruwelijk pad was verder gegaan, had hij de paleizen der vergeefs voor hem gevluchte rijkaards opengezet voor de daklozen. Hier is de parallel tussen dit boek en de rampen die wij in onze dagen hebben beleefd: een epidemie, gelijk een grote oorlog, baart een nieuwe wereld.
    Onvermijdelijk nadert het ogenblik waarop de Zwarte Dood ook de villa Quattroventi bereikt en, gruwzaam toeslaand, het troepje overmoedigen en zorgelozen verbijsterd doet uiteenstuiven. Het is dan dat enkelen onverwachts hun menselijke waarde tonen; anderen, niet opgewassen tegen de beproevingen, verraden makkers en vriendinnen in hun wilde drang tot zelfbehoud. De maskers vallen, en het roekeloze spel wordt rauwe tragedie. Sterk beeldend als hij steeds is, schept Fabricius hier onvergetelijke scenes van een soms adembenemende kracht. Verder wemelt dit werk van figuren die de lezer zullen bijblijven, de oude, nog zo vitale mevrouw Sabina Orlancini, haar vroeg vergrijsde zoon Giacopo, die uit de algemene nood geleidelijk voordeel voor zichzelf tracht te slaan, en zijn nog mooie vrouw Helena, die haar gemiste jeugd betreurt: daar zijn Sabina's kleinzoon Luciano en diens blonde veertienjarige verloofde Beatrice, haar kleindochter Lucrezia die zich in haar trots pantsert tegen de vernederingen welke haar man haar aandoet: de bruut en veroveraar Ruggiero. Daar zijn Beatrice's ongelukkig geëindigde Moorse knechtje kamenier Rosalba - en daar is deze vreemde valet Silvestro, die, lang en mager en met donker gloeiende ogen, wordt gekozen om in een zondig-lichtzinnige pantomime de rol van de Dood te vertolken...

  • Wanneer Johan Fabricius een reis door een of ander deel van de wereld gemaakt heeft, kan men er zeker van zijn dat er vroeg of laat een boek uit voortkomt. Hij weet altijd haast intuïtief tot de kern van de dingen door te dringen en zijn lezers een heldere indruk van de beschreven landen en hun bewoners te bezorgen. Zo ook de verhalen die in het Caraïbische gebied spelen. We lezen o.a. over de oude Yaya, die zich zorgen maakt over `de pil' van haar dochter. Over Sjon Bomba, de geweldige, die als Simson van zijn lokken beroofd wordt.
    Een van de hoogtepunten in de bundel betekent het verhaal Broer en Zuster, dat handelt over de oude Lorothee die ondanks alle uitgeoefende druk het oude familiehuis niet wil verlaten.
    De moeilijkheden die zich voordoen als een Nederlands meisje met een Antilliaan trouwt en het echtpaar zich in zijn land vestigt, beschrijft Fabricius in Macambe.
    Tenslotte betekent het carnaval in Grenada tegelijkertijd het einde voor een oude ongetrouwde Curaçaose; haar begrafenis vindt onder de meest bizarre omstandigheden plaats.
    We kennen Fabricius vooral als romancier, maar hoe verrassend zijn ook deze verhalen, korte schetsen met een simpele intrige, soms navrant, maar steeds gloeiend van leven als de Caraïbische zon.

  • Met klein orkest

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 14 Maart 2013

    Een verzameling novellen, die alle een andere plaats van handeling hebben. Ze zijn verbonden door het talent van Johan Fabricius, die elk facet van zijn schrijverschap gebruikt, beurteling humoristisch, ironisch en tragisch. Een indrukwekkende bundel over Indonesië 1945, een chaotisch land. Soldaat McDouglas blijkt niet ontvoerd te zijn, zoals gevreesd werd.
    Charles Baxter vraagt zich af: `Ben jij dit, Charles Baxter? Ben jij het werkelijk?' Wat bezielde de brave vertegenwoordiger om de benen te nemen, zijn vrouw achter te laten en naar Parijs te vertrekken? Eigenlijk... een verkeerde hotelkamer.
    Een vreemdsoortig studentenhuwelijk op een vreemdsoortige plaats: Schiermonnikoog, dat een dag Ile de Cythère leek.
    Een zorgzame verpleegster. Haar patiënt trouwt haar niet, zelfs niet uit dankbaarheid.
    /> Waarom verkoopt de juwelier Danny een collier voor $ 500, dat eigenlijk $ 1200 waard is? Zijn Susan blijkt er iets mee te maken te hebben.
    Brave John, bijna vader van een buitenechtelijk kind.

  • Het beest uit de zee

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    De ondergang van de Oostindiëvaarder 'Batavia'
    In de nacht van Paaszondag op Paasmaandag van 1629 liep de Oostindiëvaarder 'Batavia" te pletter op de rotsen van de eilandengroep Los Albrolhos.
    De schipbreukelingen - ruim 300 koppen - redden zich zo goed mogelijk op een paar kleine koraal-banken. Uit hun midden rees een ware duivel: Jeronimus Cornelisz die een bende muiters om zich heen verzamelde met wie hij een bloedige terreur uitoefende over zijn medeslachtoffers. Er werd op zo grote schaal gemoord dat het reddende schip nog slechts zo'n honderd overlevenden aan boord kon nemen.
    De 'Batavia' wordt weer tot leven gebracht. In Lelystad is men druk bezig met het herbouwen van dit VOC-schip opdat het met Sail Amsterdam 1990 gereed is. En het schip zal ook de hoofdrol spelen in een film over zijn avontuurlijke reis.

  • Fabricius, die nu ruim 30 jaar geleden voor het eerst China bezocht en met Peking kennismaakte, kwam daar steeds weer de naam van China's laatste grote keizerin tegen: Tz'e Hsi, door het volk liefdevol "Oude Boeddha" genoemd. De gedachte kwam toen al bij hem op, eens een roman over deze merkwaardige en fascinerende vrouw te schrijven.
    Geboren uit verarmde Mantsjoe-adel, dochter van een diep in de provincie begraven erfelijke kapitein van een ruiterregiment, zag zij zich door een speling van het lot verheven tot keizerlijke concubine, een der velen, en de wereld zou waarschijnlijk nooit van haar vernomen hebben als het haar niet gelukt was (met behulp van haar neef Joeng Loe, de vitale commandant van de keizerlijk lijfwacht, beweerden boze tongen) de Keizer een zoon te schenken: de enige zoon die het leven de op zijn twintigste jaar al vrijwel impotente Hsien-Feng gegund heeft. Na de vroege dood van de Keizer werd zij - maar niet dan na energiek ingrijpen harerzijds en na de meedogenloze vernietiging van haar tegenstanders - Regentes over haar zoontje. En daarmee nam haar sprookjesachtige ingezette carriere aan het hof de grootste vlucht, die haar tot een historisch figuur van wereldformaat zou maken.
    Deze in de vorm van een 'autobiografie' gegoten roman geeft een kleurig en van menselijkheid doortrokken beeld van een China, dat, uit de diepste middeleeuwen ontwakend, zich weerloos en niet begrijpend tegenover een moderne, en modern bewapende, westerse wereld zag geplaatst. Veel onbegrijpelijks dat zich nu in China afspeelt, vindt zijn verklaring in de recente voorgeschiedenis zoals die de lezer van Wij Tz'e Hsi, Keizerin van China nabij wordt gebracht.

  • In dit met milde ironie geschreven boek vertelt 'een buitenlands correspondent van een Nederlands Dagblad' over zijn ervaringen met vrouwen. Florrie, een in Parijs verdwaalde Vlaamse met hongerig hart: tot háár is het dat een Franse dokter, een recept uitschrijvend zegt: 'Ce qu'il vous faut, madame, c'est un amant'. Jennifer, de preutse provinciale Engelse, die het bitter berouwt in een zwak ogenblik aan de stem van haar bloed te hebben toegegeven, en schuldbeladen tot haar in de deugd zo sterke man terugkeert, de nooit volwassen geworden public schoolboy. De roekeloos en wat immoreel levende Carlotta, Romeinse, contessa dank zij haar cynisch aangegaan huwelijk met een oud graafje dat ze al spoedig in het graf geholpen heeft. Elena, Italiaanse als zij, maar hoezeer verschillend in haar vreemde frustratie - gevolg van een ongelukkige jeugd en een ongezonde binding met haar enige broer.
    Slechts een schrijver die de wereld zo intensief bereisd en beleefd heeft als Fabricius, kan met zo groot gemak vrouwen van verschillende nationaliteit volkomen voor ons doen leven een daarnaast een authentiek Rome - van voor en na de laatste oorlog - oproepen, en en passant ook nog het na-oorlogse Londen, Parijs, Capri, Salzburg.
    Het thema van dit merkwaardig onorthodoxe boek met zijn moderne levenshouding is de menselijke eenzaamheid. Drie van de vier vrouwen waarmee de 'verteller' op zijn zwerftocht van stad naar stad intiem in aanraking komt, zijn ten ondergang gedoemd.
    En de verteller zelf?

  • "Schöne coralli! Schöne coralli!" roepen reeds van verre de Capreesche visschers, die bij den ingang van De Blauwe Grot op vreemdelingen azen. Rechtop staan ze in hun schommelende bootjes, met één gebruinden knuist 'n roeispaan omvattend, in de andere, opgeheven hand `n vochtig brok koraal, dat als 'n smakelijke, bloedroode zeevrucht lokkend glinstert in de zon.
    Achter den oostelijken rotswand is uit de richting van de marina - de visschershaven aan de naar Napels gekeerde zijde van het kleine eiland Capri - de pas overgeschilderde jol van Mario Ferraro opgedoken; als passagiers heeft hij de drie vreemdelingen aan boord, die hem gisteren inHotel La Palma bestelden. Het zijn twee jongedames, ieder onder de beschutting van 'n parasol, waarvan de kleurengloei door het zonnevonkelende zeewater gulzig wordt ingezogen, - en 'n blonde, breedgeschouderde jongeman, die vroolijk en onbewogen om zich heen ziet; uit den zijzak van zijn grijs reispak komt het schelrood omslag van 'n Baedeker kijken.

  • Door een rondreizend theater achtergelaten, groeit Mariette op in de dorpsherberg tot zij, lastiggevallen door haar stiefvader, naar het klooster vlucht. Daar wordt zij als aantrekkelijke tiener opgemerkt door de nieuwe bisschop, die verliefd op haar wordt. Als hij haar niet langer in zijn huis kan houden, huwt hij haar uit aan een dorpsjongen, maar de jonge vrouw vlucht na een hartstochtelijke nacht met de bisschop.

  • Goldoni, de achtiende-eeuwse Venetiaanse auteur, is weer 'in de mode' gekomen. Zijn 'Herbergierster', 'Een knecht van twee meesters' keren steeds op het repertoire van onze schouwburgen terug. Zijn stukken bekoren door hun naïeve humor, hun amusante verwikkelingen, vooral ook door de geest van het Italiaanse rococo, die ze ademen.
    Van de schrijver zelf weet men in het algemeen weinig. Het lukte Fabricius het bonte leven van de man, die later als 'Papa Goldoni' zijn standbeeld in Venetië kreeg, voor ons op te roepen. Hij laat het door hem zelf vertellen, en wij zien hoe dit leven zich als een typisch Goldoni-stuk, soms vermakelijk, soms even ontroerend, afspeelt.
    Goldoni als oud man in het Parijs van de Revolutie, koude en armoede lijdend, hopend dat de Heren van het Schrikbewind hem het staatspensioentje weer zullen laten uitbetalen, dat de laatste Lodewijk hem, 'de Italiaanse Moliere', in een gul ogenblik toekende. Terwijl hij vernederende smeekbrieven schrijft gaan zijn dromen naar Venetië uit, zijn verre geboortestad.
    Hij ziet zich weer als nog geen tienjarig ventje naar Rimini trekken, om daar 'filosofie te studeren' bij de Broeders Benedictijnen; zuchtend onder de onverwerkte wijsheid der Scholastici, liet hij zich meetronen door een troep reizende komedianten: daar beviel het hem beter. Jammer voor hem, dacht zijn vader er anders over. Er moest een medicus uit de kleine Carlo groeien.
    Langs de weg van 'twaalf ambachten, dertien ongelukken' vindt Goldoni tenslotte de plaats die de Muzen voor hem hadden bestemd: de planken van het toneel. Verveeld door de smakeloosheden en vulgariteiten van een tot cliché geworden 'Commedia dell'Arte', bewandelt hij nieuwe wegen. En Venetië bejubelt zijn grote zoon. Maar de Faam is een wispelturige dame: Goldoni's verbitterde tegenstander Gozzi weet te spelen op de sentimentele herinnering aan het eens zo populaire 'klassieke' volkstoneel en schrijft, de 'Commedia dell'Arte' in ere herstellend, zijn 'Liefde van de drie sinaasappelen', waarvoor Venetië storm loopt.
    Na een lang en heroïsch gevecht tegen het conservatisme verlaat Goldini zijn geliefd Venetië en aanvaardt een aanbod om voor de tijd van twee jaren komedies te schrijven voor 'De Italiaanse Comedie' te Parijs. Deze twee jaren zijn er dertig geworden.
    Wij weten wat hijzelf niet meer geweten heeft: dat niet de operatekstdichter Gozzi, maar hij, Carlo Goldoni, de eindoverwinnaar is geworden in de historische toneelstrijd die Fabricius in dit boek voor ons doet herleven.

  • De grote beproeving

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    Deze novelle ontving een prijs van de Commissie voor de propaganda van het Nederlandse Boek.

  • Gringo

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    een reis naar het Paraguay van 1922
    Meer dan een halve eeuw geleden trok Fabricius met zijn eerst verdiende auteursloon op zak naar Zuid-Amerika en drong als 'gringo' door tot in het diepere binnenland van Paraguay, in de Gran Chaco om precies te zijn, 'de groene hel', waarin enkele van de vreselijkste oorlogen uit de geschiedenis uitgevochten werden en zelfs de koster in de kerk niet zonder een grote revolver in de gordel met het centen-en-knopenzakje rondging.
    Voor de somma van 50 Argentijnse pesos - toen 50 gulden - kocht hij een paard in dit land waar aan paarden geen gebrek is; hij assisteerde een paar gauchos zonder veel succes bij het opvangen en brandmerken van verwilderd vee en belandde tenslotte bij Chamacoco-Indianen, die in dichte wolken muskietenquebracho-bomen omhakten voor de houtvermalingsfabriek aan de oever van de Alto Paraguay.
    Toen Fabricius dezer dagen de reportage nog eens onder ogen kreeg die hij destijds over zijn reis schreef, liet hij zich verleiden deze in boekvorm te laten verschijnen, hier en daar wat uitgebreid en bijgeschaafd, maar getrouw aan zijn schrijfttrant en wereldbeschouwing.

  • Eiland der demonen

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    Een idylle tussen een Europeaan en een Balisch meisje vormt het hoofdmotief van deze roman, die omruist is door de branding van Bali's zuidkust. Er zijn blijde tropische morgens, maar ook benauwende nachten, waarin de gamelan klinkt en de Balier de demonen tracht te verdrijven, die zijn zielerust verstoren. Er zijn jakkerende toeristen die met hun auto's over het eiland razen, en kunstenaars die er hun schoonheidsdrang trachten te verwerkelijken; er zijn de inheemse bevolking, de arme vissers van het strand, de priesters en de vorst.
    De diepere ondertoon van het boek is er een van weemoed en teleurstelling. Bali behoort aan de Balier en aan de Balische goden - wij, blanken, moeten ons niet verbeelden, dat wij er ons paradijs nog kunnen terugvinden. Dit ondervindt de jonge Hollandse schilder, die het verhaal vertelt; dit ondervindt zijn Oostenrijkse vriend, die zich in het hoofd gezet heeft om daar aan Bali's zuidkust geheel zonder hulp een zee-aquarium met een koraaltuin te bouwen; dit ondervinden de rijke Amerikaanse vrouwen, die er zich in Hollywoodse stijl een bungalow lieten neerzetten.
    En Karti, een Balisch meisje, wordt mede dupe van deze vergissing ....

  • Langs de Leie

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 14 Maart 2013

    'Madam? Madam Rosalie? Daar is 'm weer! Meneer Vermeire van de bank!'
    Zij moest lachen over de diepe zucht waarmee dit nieuws begroet werd. ''k Heb gedaan wat ik kon om 'm weg te krijgen, madam! 'k Hem 'm gezegd dat ge u aan 't kleden waart om uit te gaan. Maar hij kwam tóch binnen! 't Was niet voor lang, zei 'm...'
    'Ewel, hij zal moeten wachten. Zegt 'm dat maar.'
    'Jawel, madam.'
    Tevreden slofte Blanche heen. En Rosalie, peinzend haar volle blanke schouders daar in de spiegel van haar toilettafel bekijkend, kleedde zich nog wat trager dan tevoren.
    Daar was hij dus weer, haar stijve hofmaker, die het zo serieus meende en haar nu al maanden lang vervolgde, minstens twee maal per week zijn vormelijke, steeds genanter wordende bezoeken afstekend zonder dat hij het grote woord over de lippen kreeg.

  • Het portret

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 27 Maart 2013

    Die hele winter had schilder Rik Bergmans niets dan pech gehad, zijn vriendin Joekie moest dan ook links en rechts op de pof kopen. De portretopdracht bracht ze daarom in de zevende hemel; bovendien viel de bijgesloten foto enorm mee: die vrouw had wel iets. Alles leek voor elkaar, maar als Rik en Joekie bij de rijke echtgenoot arriveren, blijkt het model kwaad te zijn weggelopen; ze wil niets meer met man en portret te maken hebben. Rik laat het niet op zich zitten: hij wil graag het schilderij maken maar er is toch ook nog een ander element bijgekomen... de vrouw op de foto boeit hem zeer. Hij gaat haar dan ook achterna om haar over te halen zich toch te laten schilderen. Maar dat blijkt niet zo eenvoudig te zijn. Ze wil een naaktstudie van zichzelf en speelt een geraffineerd spel met de jonge kunstenaar...

  • Barcarolle

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    Beschrijving van een verhouding tussen een jonge Nederlander met een Weense reisleidster, met op de achtergrond veel wetenswaardigheden van Venetië.

  • Dag, Leidseplein

    Johan Fabricius

    • Leopold
    • 13 Maart 2013

    In dit met lichte hand geschreven, zonnige boek maakt de oudere Fabricius zich vrolijk over de jeugdige artiestenbent rondom het Leidseplein.
    Mark Ouwendijk krijgt van het moderne kunstuitingen welgezinde Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maartschappelijk werk een reisbeurs toegewezen voor zijn nuclaeir gedicht 'vervloekte wedergeboorte', en na zijn schuldiesers - vervelende volhardende lieden - te hebben tevredengesteld, koopt hij van het overgschoten reisgeld een oude C.V.2.
    Met zijn liefje Cléo, op weg om moeder te worden, trekt hij met deze 'Lelijke Eend' Frankrijk in, op zoek naar de zon en naar dichterlijke inspiratie. De op het Amsteramse asfalt opgegroeide hond Jimmy is L'es Dritte im Bunde.
    Onder zéér penibele omstandigheden leren Mark en Cléo de ouderzegen kennen, en het drietal, nu tot een viertal uitgebreid, vindt onderdak in een boerderij zo schilderachtig smerig als alleen maar een Franse boerderij kan zijn. Daar moet Mark, als het klaplopen op het laatst werkelijk niet langer vol te houden blijkt, tot zijn niet geringe ontzetting de tot dusver nog zelden met werk bezoedelde handen uit de mouwen steken. Het is dán dat hij, de door de zon gestoofde Franse aarde in zijn vingers verkruimelend, op een dag de vreugde in de arbeid ontdekt.
    'Dag, Leidseplein' is méér dan een satire; het ademt het leven in zijn volle warmte en is gekruid met een zeer menselijke humor, terwijl de lezer als een welkome toegift een zonnig stuk Frankrijk krijgt opgedist en een blik in een Franse boerderij, waar ganzen gakkend door de modder en mest waggelen; waar vroegrijpe, ongewassen kinderen bij de druivenoogst helpen; waar langs de schaduwrijke berm van het korenveld de liefde der zinnen zich vurig uitleeft.

  • Deze roman uit het soldatenleven is zo langzamerhand klassiek geworden. In de jaren dertig werd er al een film van gemaakt en nu werd het verhaal voor de TV bewerkt. Wie kent ze niet: DAANTJE, de schutterige, provinciale gruttersjongen voor wie de militaire dienst meteen een kennismaking met de grote stad betekent. Hij stort zich dan ook hals over kop in een liefdeshistorie met de knappe BETSY, beslist niet zo naïef, die Daantje luchthartig om haar - welgevormde - vingertje windt. Gelukkig is er slapie TOONTJE om Daan in bescherming te nemen. Toontje kent het leven en weet moeilijke situaties met humor op te lossen, intussen zichzelf beslist niet vergetend.

empty