Edmund de Waal

  • De joodse bankiersfamilie Camondo vestigde zich in de jaren
    1870 in Parijs. Ze betrokken een spectaculair stadspaleis aan
    het Parc Monceau, enkele deuren naast het huis van de familie
    Ephrussi - bekend uit De haas met ogen van barnsteen.
    De familie begaf zich in de hogere culturele kringen van de Parijse
    belle époque - de wereld van Proust, de gebroeders De Goncourt,
    maar ook van antisemitisme en de Dreyfusaffaire. Graaf Moïse
    de Camondo vulde het huis voor zijn zoon Nissim met de
    grootste privécollectie van achttiende-eeuwse Franse kunst.
    Toen Nissim omkwam in de Eerste Wereldoorlog, werd het huis
    een gedenkplaats, en dat is het tot de dag van vandaag. In 1942
    werden Moïses dochter Béatrice en haar man en kinderen naar
    Auschwitz gedeporteerd, waar ze werden omgebracht.
    Dwalend door het huis brengt Edmund de Waal aan de hand
    van de voorwerpen, het meubilair en de kunst het huis en haar
    bewoners tot leven. De brieven die hij schrijft aan Camondo
    vormen een monument voor een unieke familie: toonaangevend
    in hun tijd, maar vermorzeld door de geschiedenis.

  • Aan het einde van de negentiende eeuw koopt Charles Ephrussi, een schatrijke graanhandelaar en kunstliefhebber, een verzameling netsukes: traditionele Japanse figuurtjes van ivoor of hout. De kostbare beeldjes worden een geliefd familiebezit. Wanneer veertig jaar later de nazi's Wenen bezetten en de joodse familie Ephrussi wordt afgevoerd, is ook het lot van de collectie onzeker. Dankzij een onverwachte wending en de moed van één vrouw vinden de beeldjes hun weg terug naar de familie.

    In De haas met amberkleurige ogen beschrijft Edmund de Waal het illustere verhaal van zijn familie en hun bijzondere bezit. Tegen de achtergrond van een tumultueuze eeuw volgt hij de reis van de netsukes langs de stamboom van zijn opmerkelijke familie: van het ontluikend imperium van de Ephrussi's in het verre Odessa naar het fin de siècle in Parijs, en van bezet Wenen naar het naoorlogse Tokio.

  • De witte weg

    Edmund de Waal

    In De witte weg verteld Edmund de Waal de geschiedenis van het materiaal dat hem als keramist al zijn hele leven fascineert. Door te reizen naar de plekken waar porselein werd uitgevonden, vervaardigd, verfijnd, verzameld en begeerd, probeert hij de aantrekkingskracht te doorgronden van wat ooit bekendstond als `het witte goud'. Hij bezoekt de drie landen - China, Duitsland en Engeland - die bepalend zijn geweest bij de ontdekking, de verspreiding en de popularisering van de techniek om uit klei keramiek te maken.

    Zijn zoektocht voert hem ook verder de wereld over: hij doet de zijderoute aan, bezoekt de paleizen van Versailles en Venetië, strijkt neer in Delft, schrijft over de Cherokees in North Carolina, vertelt de familiegeschiedenis van de Wedgwoods en slaat de zwarte bladzijden van de twintigste eeuw niet over: Himmler leidde zijn gasten rond in zijn eigen porseleinfabriek in Dachau, die werd bevolkt door zorgvuldig geselecteerde kampgevangenen.

    De geschiedenis van porselein, zo leert De Waal, is meer dan een verhaal van serviezen en beeldjes, van elegante gebruiksvoorwerpen en gewilde verzamelaarsobjecten. De witte weg is de meeslepende kroniek van een persoonlijke en alomtegenwoordige bewondering voor een procedé waarin alchemie, kunst, rijkdom, handwerk en schoonheid samenkomen.

empty